De jongens van toen surfen weer

De jongens van toen surfen weer

Ze scheren over het water met hun grijze koppen. De coole windsurfers van toen zijn terug op het water. En ze halen de jonkies makkelijk in.

Elke keer als ik over de A28 ter hoogte van Ermelo langs strand Horst rij, verbaas ik me over de grote hoeveelheid windsurfers die daar laag over het water scheren. Vooral op winderige nazomerdagen is het er druk. In gedachten ben ik dan meteen terug in de jaren tachtig – de hoogtijdagen van het windsurfen – toen ook ik, samen met mijn zus, vaak naar strand Horst fietste met een zelfgefabriekt surfkarretje, dat vervaarlijk kiepte in de bocht. Op strand Horst was het een andere wereld, daar golden andere wetten en merkte je niets van de Veluwse benauwdheid in de dorpen daarachter. Op het strand ademde alles vrijheid, en was je stoer en werelds. Net als onze surf-idolen Robby Naish uit Amerika en onze eigen Stephan van den Berg, meervoudig wereldkampioen windsurfen en olympisch kampioen in 1984.

Zelf bakte ik er weinig van, maar mijn zus kon prima surfen en had er veel lol in. Toch verdween de surfplank na wat jaartjes achter in de schuur, verhuisde braaf mee, maar ging nooit meer te water. En zo verging het de meeste surfers: het was te veel gedoe en kinderen en werk vroegen om aandacht.

Wie zijn dan die surfers op dat strand, die zich nu meer en meer laten zien? Niet de jonkies, want die kiezen voor freestyle surfen en kitesurfen, nee, het zijn de surfers van toen die weer op de plank klimmen. Met hun grijze lokken wapperend in de wind. Ook wel ‘de herintreders’ genoemd.

Voormalig wereldkampioen Stephan van den Berg (55) ontmoet ze geregeld in zijn surfwinkel in Hoorn, die hij bestiert sinds hij geen beroepssurfer meer is – hij stopte op zijn dertigste. “Ik zie steeds vaker mannen uit de gloriedagen van toen weer varen. Nu de kinderen groter zijn, hebben ze weer meer tijd en willen ze dat gevoel van toen terug. De vrijheid, de strijd met de elementen, het onder controle krijgen van de wind. Daar doe je het voor”, zegt Van den Berg, die zelf nog geregeld op het water te vinden is. “Toen het een paar weken geleden stormde met windpieken van 7 tot 9 Beaufort pakte ik snel een tweedehands plankje uit het rek en vloog de zee op. Dat gevoel van over het water ketsen is het ultieme genieten.”

Surfpopulariteit

De hype van toen was ongekend. De surfsport bracht het bountygevoel naar ons land. Iedereen wilde die gezonde, hippe look. Mensen reden rond met een plank op het dak van de auto, soms niet eens om te gaan surfen. Het was gewoon cool. Surfen deed je met de hele familie. Je had vaak één plank, waar iedereen om de beurt op ging. Van den Berg werd op slag een bekende Nederlander. Na zijn derde wereldkampioenschap zat hij in de tv-uitzending van Mies; daarna kon hij niet meer anoniem over straat. “Ik was een artiest, iedereen herkende me. Overal werd ik aangeklampt, ik was daar niet geschikt voor. Ik wilde alleen maar heel hard surfen en wedstrijdjes winnen. Toen ben ik Nederland uit gevlucht en heb tien jaar de wereld over gereisd. Van surfevent naar surfevent.” Toen hij een gezin kreeg, kwam hij terug naar Nederland en ging werken in zijn surfzaak.

Dat was begin 2000 en de surfpopulariteit nam flink af. Jan Hendrik de Bruin van de website gps-speedsurfing.com organiseert geregeld windsurfevenementen en zag het gebeuren. “De watersport als geheel liep terug. Vroeger ging iedereen op zeilkamp, nu zijn er zo veel activiteiten, dat watersport minder populair is. Het surfen kostte te veel tijd, het was te veel gedoe. Nu het materiaal minder zwaar en makkelijker mee te nemen is, zie je dat mensen weer op de plank stappen.” Ook apps als Windfinder helpen mee. “Vroeger zat je dagen op het strand te wachten op een uurtje wind, nu zie je wanneer en waar het hard gaat waaien en kun je het inplannen”, zegt De Bruin. Surfen is net als fietsen of schaatsen; je leert het nooit af, zegt Van den Berg. Wel zijn surfers een bepaald type mens. “Ze zijn vaak sportief, houden hun lijf fit en zijn echte doorzetters.”

Dat de surf cult nooit meer zo groot zal worden als destijds, weten beide surfmannen ook. Toch zijn ze blij met de opleving. Van den Berg: “Die grijze koppen op het water zijn bloedfanatiek, eigenwijs en gaan nog steeds ongelooflijk hard. Zij varen de jongere gasten er makkelijk uit.” En er ontstaan met de moderne middelen ook weer nieuwe hypes. Zoals De Bruin met zijn gps-horloge vooral op snelheid surft. “Er zijn hele competities – soms alleen online – van surfers die snelheden met elkaar delen. Met het nieuwe materiaal ga je ook harder: zo’n 25 kilometer per uur harder dan vroeger. Dat is flink hoor.”

Binnenkort vertrekt een groepje snelheidssurfers naar Namibië, weet De Bruin. Daar is een kanaal, parallel aan zee, in de woestijn, waar je het hardst ter wereld kunt surfen. “Dat soort thrills zoeken de jonge windsurfers dan op. Maar denk je als herintreder weer te gaan surfen, huur dan gewoon een plankje. Ga er twee uur mee pielen op het IJsselmeer of in Zeeland en je wilt nooit meer het water af.”

Michiel van der Nol (48), Amersfoort

Michiel van der Nol © Shody Careman

Voormalig winkelmakelaar, nu vrijwilliger in een kroeg en huisvader, surft sinds zijn 11de. 

‘Surfen op zee is het ultieme’

“Elf jaar was ik toen ik in 1980 een weekje surfles kreeg op het Oostvoornse Meer. Ik surfte op een loeizware ‘deur’, maar vond het prachtig. Al snel kreeg ik van mijn vader een eigen plank – een Wayler, die had iedereen toen. De meeste jongens haakten vrij snel af, maar ik hoorde bij een vaste kliek die na school altijd het water opzocht. Later ging ik zelf surflessen geven en werkte jaren bij de plaatselijke surfwinkel. Ik herinner me nog een zomer dat het elke dag na vier uur keihard waaide, dan was ik uren op het water. Een mobieltje had je niet, dus mijn ouders zagen me wel weer een keer thuiskomen. Toen ik op mijn negentiende naar Breda verhuisde en ging studeren had ik er ineens geen zin meer in.

Daarna ging ik werken als winkelmakelaar, kreeg een gezin en dacht er nooit meer aan. Tot ik in 2007 ziek werd en mijn leven totaal veranderde. Ik kreeg maandenlang chemo’s en mijn lijf was kapot. Het enige wat ik wilde, was weer kunnen werken. Na diverse pogingen moest ik het opgeven, het lukte niet. Ik bleef doodmoe en heb een zogenoemd ‘chemobrein’ met de nodige concentratie- en geheugenproblemen. Kon ik vroeger duizend dingen tegelijk, nu lukt me dat nog maar met twee dingen. Dus regel ik thuis alles, boodschappen doen, koken, maar daar ligt niet echt mijn talent. Ik ben graag buitenshuis en heb het liefst veel mensen om me heen.

Zo kwam het surfen weer in me op. Lekker vrij, het water op. Dus zei ik tegen mijn fysiotherapeut: ‘Ik wil weer fit worden, zodat ik kan surfen.’ Hij is ook een surfer en snapte me meteen. Na zes maanden trainen gingen we naar strand Horst. Die eerste keren heb ik wat staan schelden, want op die nieuwe planken is de techniek totaal anders. Maar het lukt inmiddels aardig, dus als het nu waait en ik ben fit, ga ik lekker surfen. Dit voorjaar ben ik in m’n eentje een week naar Tenerife geweest – de surfhotspot bij uitstek. Na twee dagen ploeteren kwam ik niet verder dan vier golven, toch was het geweldig. Surfen op zee blijft voor mij het ultieme. Nu geef ik het niet meer op.”

Bas Topper (74), Amersfoort

Bas Topper © Shody Careman

Gepensioneerd bioloog, werkt als hulptimmerman, surft vanaf zijn 30ste. 

‘Samen met Belle’

“Ik ben van het water, altijd al geweest. Zwemmen, zeilen, surfen, het past allemaal bij me. Of het nu mooi weer is of het giet, ik vind het altijd leuk op het water. Met regen zie je dan zo’n witte laag opspattend water of ik surf ineens om een paar zwanen heen die met hun kopjes onder water naar plantjes zoeken. Prachtig. Meestal ga ik alleen het water op, maar soms gaan mijn zoon Willem en kleinzoon Luuk mee. Zij doen aan kitesurfen en gaan veel harder, heel af en toe gaan we gelijk op. Tot voor kort sprong Willem nog weleens met z’n kite over me heen, tot zijn vrouw een keer zei: ‘Je mag niet meer over Bas springen.’ Nu doet hij dat niet meer. Dat was ook wel een beetje eng. Willem en ik hebben zelfs enkele strenge winters aan ijssurfen gedaan. Met zelfgemaakte ijzers onder een speciaal frame gingen we het ijs op, gigantisch hard ging dat. Onderweg vijlden we onze ijzers als ze bot werden.

Surfen is een zware sport, je breekt je rug als je niet oppast. Je moet fit zijn, maar ik heb gelukkig een makkelijk lijf. Ik doe het nu zo’n veertig jaar, het begon tijdens vakanties met de kinderen eind jaren zeventig. Daarna heb ik nooit níet gesurft. Als het waait, dan vaar ik, altijd. Wat voor afspraak ik ook heb staan, ik regel het zo dat ik kan gaan. Ik surf nog altijd op mijn oude planken, met al dat nieuwe materiaal heb ik niks. Als iets kapotgaat repareer ik het; zo heb ik een surfzwaard van hout gemaakt en dat functioneert prima. Ook mijn surfmutsje heb ik zelf genaaid. Ik ben in de oorlog geboren, vandaar.

Mijn jongste dochter Belle was ook een geweldige surfer. Ze was nog maar twintig toen ze twee jaar geleden verongelukte, door een blikseminslag. In die periode zocht ik heel vaak het water op, dan was ik even in een andere wereld. En kon ik mijn kop leeg laten waaien. Nu zet ik haar in gedachten altijd voor op mijn plank en varen we samen. Lekker hangen in de wind, met één hand in het water. Samen met Belle.”

Harald Kraaij (51), Hilversum

Harald Kraaij © Shody Careman

Beleidsadviseur, surft vanaf zijn 12de. 

‘Ik paste niet meer in mijn oude surfpak’

“Altijd als de bomen gaan hangen door de harde wind, begint het te kriebelen. Als ik dan naar buiten kijk vanaf mijn kantoorplek ben ik niet te houden. Ik moet dan het water op. Het kan me niet gek en hard genoeg gaan. Ik heb vanaf jonge leeftijd gesurft, mijn zus en ik namen als een van de eersten een plank mee op vakantie naar het Gardameer. In die tijd zag je nog geen surfers; we waren een bezienswaardigheid, trendsetters. Mijn zus hield het snel voor gezien, zij dreef vaak af en vond dat te spannend. Ik vond dat juist de kick.

Strand Horst was altijd al mijn surfspot; zodra ik kon, sjeesde ik naar het water. Soms spijbelde ik van school. Op Nieuwjaarsdag stond ik een keer met 9 graden met blote voeten op mijn plank. Ik had ook een helm, die droeg ik bij storm: windkracht 10, daar deed ik het voor. Op een gegeven moment had ik wel vier of vijf zeilen en diverse planken. Van groot naar heel klein, de ‘zinkertjes’. Als surfer was je cool, we hadden een clubje waarmee we gingen. Lekker hangen, lekker loose, met onze O’Neill- en Oxbow-shirts. We gingen ook samen op surfvakantie naar Portugal of Corsica. Dan zaten we dagenlang op het strand, en maar wachten op goede wind. Heel fanatiek.

Ik heb nooit iets weggedaan, alle windsurfspullen liggen nog in mijn schuur, maar ik heb jarenlang niet gesurft. Ik werkte, had mijn gezin en was druk met de militaire vijfkamp – ook een pittige sport. Twee jaar terug hield ik het niet meer. Ik moest en zou weer surfen. Ik paste alleen niet meer in mijn oude surfpak, ik was 10 kilo zwaarder geworden. Dus kocht ik meteen een nieuw pak en huurde een plank. Aan mijn oude spullen heb ik niets meer; de zeilen zijn half vergaan en de gieken krom.

Ik surf echt voor mezelf: dat gevoel van over het water scheren, jezelf en je materiaal onder controle houden en dan heel hard gaan. Ik meet ook mijn snelheid en probeer andere surfers in te halen. Dan ga ik eropaf en denk: ik pak je wel! Ik probeer echt alles uit mijn board en zeil te persen. Zoals die storm van een paar weken terug. Waanzinnig. Ik was eigenlijk onderweg naar een afspraak, maar die bleek simpel te verzetten, dus ben ik gelijk naar strand Horst gereden. Ik heb nu altijd mijn surfpak en een handdoek in de auto liggen; je weet maar nooit.”

Tips van oud-professional Stephan van den Berg voor de herintredende surfer:

1. Ga naar een surfzaak en laat je goed voorlichten

2. Koop geen plank op Marktplaats want die zijn vaak van pro’s en zijn te lastig om weer mee te beginnen

3. Koop een goed passend surfpak

4. Huur een plank en een zeil en probeer het eerst een paar uur

Posted on: February 7, 2018Dana Ploeger