Author: Dana Ploeger

Over diabetes hebben tijdens corona: ook dit gaat weer voorbij

Het coronavirus houdt ons allemaal bezig. De ruim 1,2 miljoen mensen met diabetes voelen zich extra kwetsbaar. Ik gaf een interview aan Diabc over hoe ik de eerste lockdownperiode met corona doorkwam,  daarbij rekening houdend met mijn diabetes type 1 (Lada) die ik sinds mijn 40ste heb.

Hoe gaat het met je?

“Gelukkig nog goed. Ik voel me prima, al slaap ik wel wat minder goed. Ook maakte ik me even zorgen om mijn zoon die van de week koorts kreeg; hij woont in een studentenhuis en nu kon ik niets voor hem betekenen. Maar hij is alweer beter. Verder werk ik gewoon door. Zowel mijn journalistieke interviews als mijn coachgesprekken heb ik overgezet op videobellen en dat werkt prima.”

Wat doe je om corona te voorkomen?

“Vanaf het moment dat het in Brabant speelde ben ik voorzichtig, ik zie niemand buiten mijn gezinsleden. Mijn man heeft een praktijk fysiotherapie en gaat als hij thuiskomt voor de zekerheid eerst douchen. Ook mijn dochters spreken niet meer met vrienden af. Misschien overdreven, maar ze snappen het goed en zijn heel lief. Als ik naar buiten ga, doe ik handschoenen aan en ik was mijn handen vaak. Ook poets ik elke dag alle deurklinken en de wc en vervang dan de handdoeken en vaatdoeken. Better safe than sorry.”

Hoe houd je jezelf fysiek en mentaal fit?

“Ik eet veganistisch met veel verse groenten en fruit. Dat sterkt me nu, want ik voel me fit. Ik drink ’s ochtends wat water met een theelepel kurkuma, dat zou immuun-versterkend werken. Verder doe ik aan snelwandelen en yoga: ik ben al jaren fan van yogajuf Andriene uit Texas, haar lessen staan gratis op YouTube. Ook mediteer ik geregeld, vooral de meditaties van dr. Joe Dispenza spreken me aan. In zijn geleide meditaties visualiseer je je ideale, gezonde zelf. Dat geeft vertrouwen.”

Hoe kom je aan informatie over diabetes en corona?

“Ik probeer me niet de hele dag met corona bezig te houden – al is dat lastig – maar ik zoek gerichte informatie. Ik las een interessant interview met hoogleraar diabetologie Hanno Pijl op de site van het Diabetesfonds waarin hij stelt dat vooral mensen met instabiele glucosewaarden risico lopen, dat heb ik gelijk naar mijn moeder en zussen gestuurd, zij zijn soms extra bezorgd. Dit stelde hen gerust, want ik heb een HbA1c van 50 mmol/l. Ik vond het wel jammer dat mijn jaargesprek werd afgezegd door het ziekenhuis, ik was erg benieuwd naar mijn nieuwste waarden. Maar dat is totaal niet belangrijk nu.”

Hoe kijk je naar de toekomst?

“Ik vind het bijzonder dat er nu zoveel mooie dingen gebeuren. De stad is zo rustig, de lucht zo schoon. En dan al die lieve initiatieven die ontstaan. Ik vroeg mijn oude alleenstaande buurman of we voor hem konden koken. Hij redde zich nog, maar ik vond het toch fijn hem dat te laten weten. Verder vertrouw ik erop dat ook dit weer voorbij gaat. Mij helpt het om dan naar de natuur te kijken, naar de zon die maar blijft schijnen. Dat geeft moed.”

Kookboekenrubriek in Tijdgeest

In Tijdgeest, het weekendmagazine van Trouw, verzorg ik de kookrubriek waarin ik de nieuwste kookboeken en sites of leuek vlogs en blogs bespreek.

Zoals het laatste boek van Nigella Lawson:

De lockdown is voor de Britse ­televisiekok en culinair schrijver Nigella Lawson een welkome rustpauze. ‘Niet dat het in een keuken altijd per se zen moet zijn, maar ze kan een wijkplaats zijn voor een zenuwachtige ziel’, schrijft Lawson in haar net verschenen Koken, eten, leven. Echt zo’n boek waarmee je dit weekend wegkruipt onder een dikke schapenwollen deken. Lawson neemt ons mee in haar culinaire leven en vertelt aan­stekelijke verhalen. Nu ze zestig is trekt ze zich weinig meer aan van trends. Zo gaat een hoofdstuk over haar afschuw van ­guilty pleasures.

Of neem haar ode aan bruin eten. Een verademing in de manie van regenboogkleuren op je bord. Des te minder kleur, des te dieper de smaak. Een stoofpot van runderwang met port en kastanjes verwarmt niet alleen ­lichaam en ziel, maar geeft je het gevoel dat je voor een ­knappend houtvuur zit, belooft ze. ‘Ik vind elke stoofpot verkwikkend, maar deze heeft iets onmiskenbaar feestelijks. Alsof je uitgaansschoenen draagt waarop je echt kunt lopen.’ Kijk, zo ­kennen we haar weer.

Nigella Lawson, Koken, eten, leven, Altas Contact; 352 blz. € 29,99

‘Rechtvaardigheid is mijn favoriete gerecht’

De zintuigen van auteur Munganyende Hélène Christelle

Munganyende Hélène Christelle (27) wil met haar verhalen jonge, zwarte vrouwen een rolmodel aanreiken. ‘Vooral om te laten zien dat iedereen recht heeft op een doodgewoon leven.’ Ze werkt aan haar debuutroman Vreemd Fruit en won vorige maand de C.C.S. Crone-prijs, een beurs voor beloftevolle auteurs.

Munganyende Hélène Christelle: ‘Ik wil niet opstaan met het gevoel dat ik de wereld bij elkaar moet houden’.Beeld Patrick Post

Ruiken: ‘Geuren vallen samen met herinneringen’

‘Mijn eerste herinnering is de geur van onze keuken in ­Kigali in Rwanda. Op een dag ­waren we op bezoek bij ­familie op het platteland waar op een kampvuur werd gekookt. Ik brandde me daar lelijk aan. Direct smeerde iemand zout op mijn wond, want dat stelpte het bloeden – een grootmoedersmiddeltje. Ik schreeuwde het uit. De geur van dat kampvuur, gecombineerd met de geur van mijn verschroeide huid, valt samen met meer herinneringen. Soms zijn dat verhalen van mijn ouders die ik me heb toegeëigend, die door de jaren heen zo zijn gaan leven dat het ook mijn verhaal is geworden. Ik ben een jaar voor de Rwandese genocide geboren, dus ja: ik ben een oorlogskind, maar dat is meer de feitelijkheid over hoe ik de wereld in ben geslingerd. Het is niet mijn identiteit; die bestaat uit veel meer lagen. Eén laag is inderdaad Afrikaans zijn, maar ik ben ook Europeaan, migratiekind, zwarte vrouw, schrijver.
Het litteken op mijn been, hier kijk maar, is inmiddels minder zichtbaar, maar weg gaat het nooit. Als kind zorgde die brandwond voor flink wat aandacht. Op de ­basisschool vertelde ik de wildste verhalen aan mijn ­Brabantse klasgenoten. Over dat we giraffen in de tuin hadden. Bloemrijke verhalen, daar leefde ik op. Nog steeds, al zijn ze niet langer verzonnen. Best apart ­eigenlijk, want ik hoefde helemaal geen leugentjes te vertellen om een heftig levensverhaal te hebben.”

Horen: ‘Vertellingen brengen werelden samen’

“Mijn realiteit als kind is altijd geweest: opgroeien tussen verschillende werelden. Een myriade, een veelheid van realiteiten van kleur, migratierealiteiten. Toen ik als kleuter met mijn ouders en broers in het azc aankwam, kwam ik direct in een wereld van tegenstellingen terecht. We woonden tussen vluchtelingen uit Irak, ­Bosnië, Afghanistan. Toch waren we als kinderen allemaal hetzelfde, iedereen had het ergste in zijn of haar korte leventje al meegemaakt. Dood, verderf. Een ­Bosnisch buurmeisje zei altijd: ‘Mijn vader is kapot’. Daar moesten we allemaal hard om lachen, zijzelf ook. Zo ­gingen we ermee om dat haar vader dood was. We ­vonden elkaar in de pijn.

“Daarna verhuisden we naar Woensel in Eindhoven waar ik me moest verhouden met mensen uit weer heel andere culturen: daar woonden vooral Surinaamse en Marokkaanse families. In de atlas zocht ik op waar ze ­allemaal vandaan kwamen. Je vindt elkaar dan niet in pijn, maar in schaarste; je hebt weinig, maar wel elkaar. Migrantenkind zijn is ’s avonds de vuilnis buiten zetten en zien dat het licht bij de Irakese overburen nog aan is, ­omdat ze naar het Journaal kijken vanwege bombardementen in hun thuisland. Het is voelen wat zij voelen.

“Het grootste deel van mijn jeugd heb ik doorgebracht in huiskamers die volledig gereconstrueerd waren naar Rwandese kamers. Museale constructies vol waxdoeken, beeldhouwwerken en houten borden aan de muur met ‘Welkom thuis’ en ‘God zegene dit huis’ in het Kinyarwanda. ’s Ochtends opstaan en dan die woorden zien, gaf moed voor de dag. In al die woonkamers luisterde ik naar eindeloze vertellingen van mijn tantes en ­andere familieleden. Ik observeerde de taferelen en in mijn ogen leek het of ze net deden alsof ze nog in Rwanda woonden, samen speelden ze een schouwspel. Al die ­verhalen zitten in mij. Dergelijke vertellingen laat ik nu horen met mijn podcast ‘Fufu&Dadels’, verhalen over de samenkomst van al die werelden.”

Beeld Patrick Post

Kijken: ‘Dat is observeren, absorberen en veel voelen’

“Ik ben een kameleon en zuig alle indrukken in me op. Als ik een ruimte betreed, gaan al mijn zintuigen aan. Kijken is voor mij dan ook niet alleen observeren, maar responsief zijn op alles wat er heerst in een ruimte. Alles absorberen als een spons. Kijken is bij mij sterk gekoppeld aan voelen. Mijn hoogsensitieve kant zorgt ervoor dat ik aan het begin en aan het einde van de dag een ­ritueel inzet om mijn energie te kanaliseren.

“Ik sta iedere ochtend vroeg op – het liefst rond zes uur – en ga op mijn balkon in de zon zitten. Met een kop heet water met citroen en dan heerlijk free writen. Soms ben ik in een half uurtje klaar, op andere dagen zit ik er rustig twee uur. Ook in de winter, met een dikke jas aan. Uit die schrijfsels komen passages voor mijn roman of essays voort: losse gedachten over hoe ik mezelf zie in deze wereld.

“Na een dag vol indrukken moet ik echt ontprikkelen en dat lukt het beste in water, in bad, of nog beter met een stoombad – meteen goed voor mijn haar. Dan probeer ik alles van de dag los te laten. Het liefst zet ik daarbij Oost- of West-Afrikaanse muziek op. Zo creëer ik mijn eigen metawereld. Thuis zijn, me thuisvoelen is een groot thema voor me.”

Voelen: ‘Iedereen verlangt naar een doodgewoon leven’

“Gewoon onder een boom zitten en genieten van zonnestralen, zonder te denken aan institutionele uitsluiting die aan jouw realiteit raakt, is niet voor iedereen weg­gelegd. Of dat nu seksisme, racisme, islamofobie, transfobie of homofobie is. Dat je naar een festival kunt, ­zonder na te denken of je je daar veilig zult voelen. ­Zonder gedachten als: hoor ik hier wel? Word ik wel gezien of gehoord? Op zo’n doodgewoon leven heeft iedereen recht. Ik schrijf daar in mijn vertellingen graag over. Verhalen die troost bieden en die gaan over een zwarte vrouw met zo’n normaal leven.

“Hoewel ik me direct realiseer dat ik de luxe en het privilege bezit, die miljoenen anderen niet hebben; bijvoorbeeld door naar een podcast te luisteren van een zwarte vrouw die haar verhaal vertelt. Verhalen over ­biseksueel, zwart en vrouw zijn. Het is dan alsof zij met haar stem, met haar verhaal mijn hart raakt. Door haar verhaal mag ik bestaan, ongeacht wat anderen van mij denken.

“Felle, negatieve reacties op mijn verhalen, dat is niet altijd wat ik wil horen. Dat heeft met het politieke klimaat in Nederland te maken. Van jongs af aan is mijn wereld al politiek geladen, dat kan ook niet anders als kind van politieke vluchtelingen. Mijn ouders zijn ­denkers, ze zijn politiek geëngageerd en hebben een denkertje op de wereld gezet. Ik was me al jong bewust dat er bepaalde regels bestaan voor mensen zoals ik. Om het goed te doen moet ik me bewegen tussen die regels óf ik moet een manier vinden om die regels omver te werpen. Steeds daartussen navigeren en je eigen afweging maken kan als een dagtaak voelen.

“Ik wil niet iedere ochtend opstaan met het gevoel dat ik de wereld bij elkaar moet houden. Als zwarte vrouw voel ik dat wel sterk en kan het me soms echt overvloeden. Maar daarin zit tegelijk de kern van mijn schrijverschap. Mij uitspreken tegen het feit dat kennelijk niet iedereen recht heeft op een doodgewoon leven is mijn grootste drijfveer.”

Intuïtie: ‘Jonge, zwarte vrouwen hebben lef nodig’

“Ik heb niet de illusie dat ik als millennial van 27 in mijn eentje de wereld kan veranderen. Maar ik hoop wel ­jonge, zwarte vrouwen een rolmodel aan te reiken. Als kind las ik ontzettend veel, maar in al die boeken zag ik mezelf nooit gereflecteerd. Vaak werd mijn aandacht ­getrokken naar personages die op mij leken. Dat waren meestal antagonisten: de beste vriend van de hoofd­persoon, nooit de hoofdpersoon zelf. Meestal was het ronduit de slechterik. Het viel me op dat personages van kleur vaak expliciet werden beschreven aan de hand van hun huidskleur, de structuur van hun haar en uitge­sproken tongval of het was zelfs een karikatuur. Geen volwaardige personages. En dat is wat je wel wilt lezen: dat je het idee hebt dat jij als volwaardig mens in die ­wereld mag bestaan. Intuïtief voelde ik dat het niet klopte. Door dat gemis werd ik meester in het inleven in andermans narratieven. Ontdek dan maar eens je eigen ik-kracht. Daar is lef voor nodig.

“In mijn debuutroman Vreemd Fruit streef ik ernaar jonge vrouwen die opgroeien met eenzelfde complexe migratiegeschiedenis als de mijne een stem te geven. Jongeren die moeten leren bewegen tussen ontheemding en thuiskomst. De afgelopen jaren ontdekte ik een soort onbeschroomde eigenheid, die ik nu onverbloemd omarm. Juist door de ander te zijn. Het is precies dat ­tikkeltje doordraafde eigenzinnigheid dat mij het lef geeft om straks te debuteren.”

Proeven: ‘Rechtvaardigheid is geen taart’

“Toen deze zomer de eerste manifestatie voor Black Lives Matter op de Dam gaande was, zat ik een portie kibbeling te eten. Ik was op kampeervakantie en dacht: ‘Ik sta hier kibbeling te eten, terwijl de wereld vergaat’. Ik voelde zo sterk: die wereld mag niet vergaan. Intense boosheid borrelde op en verdween niet meer. De Amerikaanse zwarte feministe dr. Brittney Cooper noemt dat ‘eloquente woede’. Ik vind haar zienswijze interessant, omdat je inderdaad welsprekende woede kunt omzetten in een constructieve storm. Dat is exact wat nu wereldwijd gebeurt: een krachtenveld van mensen die de wereld beter willen maken. Die willen vernieuwen op een manier dat die wereld een eerlijke weerspiegeling is van ieders leven – ook de mijne.

“Met mijn vlijmscherpe verhalen probeer ik in elk geval meer rechtvaardigheid te krijgen. Want, en dat is geen citaat van mij, maar ik vind hem wel prachtig: ‘Meer rechten voor anderen, betekent niet minder ­rechten voor jou. Rechtvaardigheid is geen taart’. Ik heb deze zomer wel de smaak van rechtvaardigheid geproefd en die smaakt naar meer. Sterker nog: het is mijn nieuwe favoriete gerecht.”

Beloftevolle debutant

Munganyende ­­Hélène Christelle (1993) is een politiek geëngageerd ­auteur, sociaal cultureel commentator en publicist. Ze is geboren in Kigali (Rwanda) en vluchtte als vijfjarige met haar ouders en broers naar Nederland.Ze groeide op in Woensel in Eind­hoven, studeerde politicologie en hield twee jaar geleden de TedX-talk ‘Afropean’ over haar identiteit. Ze was fellow bij het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds en is hoofdredacteur van het crossmediale ­feministische platform Fufu&Dadels. In haar verhalen ­vertelt ze over zwart-zijn, vrouw-wording en thuiskomen: daarover ontwikkelt ze op dit moment het vak ‘Beyonce­ology’ voor studenten creative writing aan de ArtEZ ­Hogeschool voor de Kunsten in Zwolle. Vorige maand ­ontving zij de C.C.S. Crone-prijs voor beloftevolle ­debu­terend auteurs. De jury zegt over haar: ‘De beschrijvingslust spat van de pagina’s.’ Haar debuut Vreemd Fruit verschijnt in 2021 bij Uitgeverij Pluim.

Alle kleine herdenkingen werden zo één grote

Vandaag met Allerzielen staan veel nabestaanden stil bij het verlies van hun geliefde. Alleen zijn alle geplande herdenkingsbijeenkomsten opnieuw afgezegd. Groots afscheid blijft onmogelijk. Toch hebben die verstilde, intieme uitvaarten ook mooie kanten. Rouwen gaat weer over in verbinding zijn met elkaar.

In de fotolijst: Hiekelien Tess van den Herik. Beeld Ilse van Kraaij

In potlood staat het nog in hun agenda: ‘Herdenking Hiekelien Tess’. Op 18 november, haar geboortedag. De dag dat ze 38 jaar zou zijn geworden. De Utrechtse Hiekelien Tess van den Herik overleed op 26 maart aan de gevolgen van borstkanker. Ze wist dat ze zou sterven en maakte een zorgvuldig draaiboek voor haar uitvaart. Omdat het land net in intelligente lockdown zat, kon haar familie die wensen niet vervullen. Alle regels waren nog vers en vooral streng. De ruimte die ze in gedachte had voor het afscheid bleek niet toereikend voor alle genodigden, waarop werd besloten dat het afscheid thuis in heel kleine kring van haar familie en vrienden plaats zou vinden.
Een livestream paste niet erg bij Hiekelien, die een bijzondere en bewuste kijk op het leven had. Ze schreef theaterstukken en gedichten, werkte voor Greenpeace, was lid van een schrijfclubje en zong graag. Om haar heen had ze een kring van hechte vrienden verzameld. Haar ouders, Dullyna van der Weit (67) en Leen van den Herik (68) vonden het afscheid passend. “Klein, verstild en CO2-neutraal, zoals Hiekelien wenste. Voor ons waren de dagen rond haar sterven zeer intiem en warm. Daar zijn we heel dankbaar voor. Het leverde bijzondere gesprekken op met haar vrienden en collega’s. We hoorden verhalen die we nog niet kenden. Daar teren we nog steeds op”, vertelt haar moeder aan de keukentafel in Gorinchem.

Beeld Ilse van Kraaij

Toch blijft hun verlangen naar een herdenking in iets grotere kring sluimeren. “Om met iedereen stil te staan bij haar leven, om haar nog eens te laten verschijnen in alle verhalen.” Vader Leen: “Iedere keer maken we een plannetje in ons hoofd, maar dan komen er weer nieuwe maatregelen. Het is één groot proces van aanpassen.” Ondanks dat ervaren ze deze periode ook als een warme deken. “Doordat de hele wereld een beetje stilstond en niet meteen doordenderde, was er alle ruimte en tijd om ons aandacht te geven. Misschien hadden we dat niet zoveel gekregen zonder corona.” Dullyna knikt: “Mensen sturen zulke prachtige, persoonlijke brieven. En op gepaste afstand hebben we veel bezoek ontvangen. Wat dat betreft is corona ook een beetje een ‘cadeautje’: we ervaren veel ruimte om in alle rust verdrietig te zijn.”

Geen nazit met bier en bitterballen

Die ervaring hebben ook de nabestaanden van Pim Thielemans uit Veghel. Zijn vrouw Annelies Thielemans (74) ontvangt nog wekelijks bezoek, kaartjes of bloemen. Van de week kreeg ze nog brownies met de post. “Het lijkt wel”, zegt dochter Thiery (47), “alsof mensen langer met ons verlies bezig zijn, omdat ze zelf niet echt afscheid van papa hebben kunnen nemen. Zij zagen geen kist, zij waren niet bij het afscheid, dit is hun manier van verwerken denk ik.”

Beeld Ilse van Kraaij

De voormalige verffabriekdirecteur overleed op 29 maart aan een herseninfarct. Hij was 77 jaar, nooit ziek geweest en ging vorig jaar nog met zijn vrouw backpacken met een rugzakje met 7 kilo inhoud. “Mijn man was erg geliefd en sociaal, hij zat in veel clubjes, zoals bridge en de Rotary, en hij hielp waar hij kon. De dag voor zijn overlijden stond hij nog worstenbroodjes te bakken voor mensen die we extra aandacht wilden geven.” Aanvankelijk wilden ze een groots afscheid. “Pim verdiende een bomvol crematorium met een nazit met bier en bitterballen. Maar er kon niets, dus hebben we in piepkleine kring afscheid van hem genomen, alleen met de kinderen en kleinkinderen. Via de livestream keken vrienden en familie mee.”

Horizon niet in zicht

En zo verging het vele duizenden mensen die het afgelopen jaar een geliefde verloren. Wanneer de overledene aan corona stierf, was er soms niet eens de mogelijkheid tot afscheid nemen. Voor allen gold: een kleine uitvaart met maximaal dertig genodigden en op anderhalve meter afstand van elkaar. Mariëlle Terstegen van Nunazorg, een organisatie die nabestaanden bijstaat, hoorde in het begin vaak: ‘Straks staan we er nog eens goed bij stil’. “Maar nu de horizon van het einde van corona nog steeds niet in zicht is, hoor ik dat weinig meer. Mensen willen iets organiseren rond een verjaardag of trouwdag, maar de realiteit is steeds dat het niet kan. Ik weet dat mensen dit najaar, en zeker vandaag, op verschillende plekken herdenkingsbijeenkomsten wilden organiseren en die zijn allemaal afgezegd of omgezet naar een digitale vorm. Zo blijf je toeleven naar iets wat niet komt. Dat is moeilijk.”

In uitvaartkringen heet dit een ‘uitgestelde herdenking’. “Toevallig had ik vorige maand één herdenkingsdienst van een familie die hun afscheid in die heel strakke lockdown over wilde doen, maar dan uitgebreider”, vertelt Ton Claassen van Claassen Uitvaartzorg in Veghel. “Maar dat is ook echt de enige in al die maanden.” Ook Nadia Najib, uitvaartbegeleider van coöperatie Dela, kan ze op één hand tellen: “Onlangs bereidde ik er een voor, die was voor een weduwe die echt nog een afscheidsdienst wenste in de aula. Met de urn in het midden. Zij had het gevoel dat het nog niet af was. Daarna hebben ze met elkaar de as uitgestrooid.”

Uitvaartondernemers zien nog wel dat mensen met het ophalen van de as of het plaatsen van de steen een extra herdenking doen. Maar het blijft kleinschalig. Bij de meeste nabestaanden zakt de wens naar zo’n grootse herdenking na verloop van tijd weg. “In het begin hadden mensen het gevoel dat wanneer ze de uitvaart niet groots konden vormgeven – met iedereen erbij – dat het dan geen volwaardig afscheid was”, vertelt Najib. Inmiddels ervaren mensen dat niet meer zo en zien ze ook de mooie kanten van het kleine karakter. “Je creëert een huiskamersfeer en de intimiteit is groot. Alles is sneller informeel, mensen zijn minder gespannen. Er ontstaat een sfeer waarin mensen geen sociale druk voelen en zichzelf kunnen zijn met hun verdriet.”

Zonder poespas

De terugkeer van die kleine uitvaart, zonder poespas, wordt alom gewaardeerd. Uitvaartondernemer Claassen: “De intimiteit zorgt ervoor dat mensen gemakkelijker hun woordje uitspreken, juist omdat ze niet voor een bomvolle kerk of aula staan. Ook merken we dat mensen vaker het woord nemen, terwijl ze dat normaliter niet zouden doen. Iemand staat gewoon te spreken voor de eigen familie van hooguit dertig mensen en dan merk je zo’n livestream helemaal niet op.”

Volgens rouwdeskundige Riet Fiddelaers-Jaspers van Expertisecentrum Omgaan met Verlies uit Heeze hoeft een ander afscheid dan gedacht gezond rouwen niet in de weg te staan. “Natuurlijk zijn mensen aanvankelijk teleurgesteld. Maar als je beseft dat dit het moment is om de herdenking zo goed mogelijk vorm te geven en in de ‘wat kan wel’-modus komt, is er veel mogelijk. Ondanks alle beperkingen die er op dat moment gelden. Dat heeft ontzettend veel waarde en kan niemand je afnemen.”

De intimiteit zorgt juist voor meer verbinding tussen verwanten, merkt Fiddelaers. Zij verwacht dan ook niet dat de beperkende omstandigheden een rouwstoornis hoeven te veroorzaken: “Het wordt pas een probleem als je in boosheid of verdriet terechtkomt, omdat je het gevoel hebt dat je de wens van de overledene niet hebt kunnen waarmaken. Daar kunnen mensen wel in verstrikt raken.”

Daarom raadt zij nabestaanden aan om er een ritueelbegeleider bij te betrekken die meedenkt. Zeker als binnen families sterk wordt vastgehouden aan tradities of rituelen. “Ik zie dat wel terug bij niet-westerse families die soms moeite hebben om bepaalde rituelen zoals zang en dans met veel mensen los te laten. Omdat dat echt onderdeel van het afscheidsritueel is. Dan is het handig om iemand uit de eigen groep te vragen mee te sparren over hoe het ook anders kan, zodat het toch klopt voor de familie en er rust komt in de ziel.”

Meer inhoud dan vorm

Kleine uitvaarten brengen nabestaanden weer terug naar de kern van afscheid nemen, merkt de rouwdeskundige. “Eerlijk gezegd werden er voor corona soms zulke grote en meeslepende vieringen gehouden. Het kon niet op. Meer vorm dan inhoud. Nu zie ik dat mensen juist goed bij hun gevoel blijven, doordat het zo persoonlijk is. Niemand kijkt hun bij het moment van afscheid nemen op de vingers. Sommigen kiezen zelfs niet meer voor een livestream: de meest intieme kring is voldoende.” Ze denkt dat deze ontwikkeling ook na corona zal doorzetten.

Dat verwacht de uitvaartbranche ook. Woordvoerders van uitvaartverzekeraar Dela en uitvaartverzorger Monuta laten weten dat er de afgelopen maanden veel creativiteit loskwam. Condoleren heeft meer aandacht gekregen. En behalve livestreams zijn er drive through– en walk through-uitvaarten bijgekomen, waarbij mensen in- en uitrijden of -lopen om zo hun respect aan de overledene te tonen. Tot slot is de erehaag uit de mottenballen gehaald, die door nabestaanden zeer gewaardeerd wordt.

De familie van Pim Thielemans zal die erehaag inderdaad nooit meer vergeten. “Eerst werd de rouwauto door een flink aantal auto’s gevolgd naar het uitvaartcentrum. Niemand ging mee naar binnen, maar ze bekeken de livestream op hun telefoon of laptop in de auto. Na de dienst kwamen we naar buiten en stonden al die mensen prachtig aangekleed in een erehaag voor papa te klappen”, vertelt dochter Wendy (51). “Dat was zo indrukwekkend.”

Lijfelijk contact missen

Het enige dat ze wel echt gemist hebben, is lijfelijk contact. Vanwege gevaar voor Covid-19 duurde het weken tot de kinderen hun moeder weer durfden te omhelzen. Dochter Wendy bedacht een stokje met een rood hart aan het uiteinde. Zo konden ze de hartjes tegen elkaar houden als surrogaatknuffel tijdens de uitvaart: “Toen we elkaar met Moederdag weer durfden te knuffelen, vloeiden de tranen. Dat voelde zo anders.” Als iemand je vasthoudt, word je even letterlijk gedragen en draag je het verdriet niet meer alleen, verheldert Terstegen van Nunazorg. “Een weduwe vertelde me: ‘er is nu helemaal niemand meer die me aanraakt’. Dat vond ik heel verdrietig.”

De familie Thielemans blikt al met al met voldoening terug. “Ik heb honderden kaarten ontvangen en voel me echt gesteund in mijn verdriet”, zegt Annelies Thielemans. “Ik mis Pim iedere dag, maar ik heb een leven vol mooie herinneringen om op te leunen.” En voor haar hoeft die grote herdenking eerlijk gezegd niet meer. “We moeten ook verder.” Zo denken de ouders van Hiekelien er inmiddels ook over. “In ons gezin is een gat geslagen, daar moeten wij mee verder. De voortgaande contacten met haar vriendinnen en vrienden helpen daar enorm bij”, vertelt haar moeder.

Op hun keukentafel ligt een prachtig boekje met gedichten en gedachtenissen van Hiekeliens collega’s. “We hebben de afgelopen maanden zoveel kleine afscheidsmomenten gekend middels brieven, kaarten en gesprekken”, zegt Van den Herik. “Als je het zo bekijkt, zijn al die kleine momenten één grote herdenking van onze dochter geweest.” En binnenkort komt er een herdenkingsbankje op landgoed Amelisweerd, waar Hiekelien graag kwam. Met de eerste regel van haar gedicht: ‘Ik wil een storm met jouw naam …’. “Hebben we toch een plekje om naartoe te gaan.”

De coronaperiode inspireerde rouwdeskundige Riet Fiddelaers-Jaspers tot het schrijven van het boek ‘Natriltijd’ over hoe je te herpakken na een periode van afscheid en verlies in tijden van storm en tegenslag. ‘Natriltijd’, Circle Publishing, € 12,50.

Theo Verbruggen over zijn geknakte streek

Theo VerbruggenBeeld Martijn Gijsbertsen

Dit jaar veranderde het leven van tv-verslaggever Theo Verbruggen compleet. Het NOS-Journaal zette hem aan de kant en daarna ontvlamde de coronacrisis in zijn geboortestreek. “Ik blijf maar afscheid nemen.”

Met de handen op de rug loopt mediaman Theo Verbruggen (62) over het zanderige laantje waar hij als jochie eindeloos speelde. Het komt uit bij rivier de Aa, een van de weinige authentieke plekjes in zijn geboortedorp Erp in Oost-Brabant, randje Peel. “Hier bouwde ik hutten, speelden mijn broertje Erik en ik eindeloos in de hooischuur. En op mijn driewieler reed ik als peuter naar mijn opa en twee tantes, die op een stamboerderij iets verderop woonden. Dat kon toen gewoon. Als je als kind opgroeit in direct contact met de natuur heb je de beste basis.”

In het huidige landschap herkent hij weinig meer van toen. “Nu zie ik overal rechte vlakken en lijnen. Door de ruilverkaveling en opkomst van grote stallen is dit een economisch gebied, dat weinig te maken heeft met de oorspronkelijke natuur. Toen had je keuterboeren met lapjes grond, omzoomd met kronkelige zandwegen met bramenstruiken erlangs. Een totaal inefficiënte lappendeken. Die romantiek mis ik in dit rechtgetrokken landschap. Dat voelt als een soort landschapspijn”, vertelt Verbruggen terwijl hij over zijn geboortegrond tuurt.

Aan de rand van Erp, in buurtschap de Hoek, wijst hij de boerderij aan waar zijn moeder opgroeide. En precies honderd meter verderop is de boerderij waar zijn vader werd geboren. “Exact tussen die twee plekken in staat het huis van mijn ouders, ze bleven er hun hele leven wonen. Mijn moeder is anderhalf jaar geleden overleden, zes jaar na mijn vader. Heel gemoedelijke, superschattige mensen die nooit opschepten, heel Brabants eigenlijk. Ik ben nu pas haar spullen aan het doorkijken, eerder lukte me niet. Hun huis krijgt komende maand nieuwe bewoners.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Dan staat hij stil bij een bankje gemaakt van oude balken. “Dit hebben de buren ter nagedachtenis van mijn vader geplaatst. ‘Toons buurtbenkske’. Zo gaat dat hier.” Om daarna even een praatje te maken met de overburen over de verkoop van het weiland, dat wordt verdeeld over drie buren. “Vriendelijke mensen. Dit was een zachtaardige bodem om op te groeien.”

U bent in de 25 jaar dat u voor de NOS werkte overal geweest, toch heeft u Brabant nooit de rug toegekeerd?

“Nee, ik voel me echt een Brabander. Steeds meer eigenlijk, zeker nu ik ouder word. Ook ik ben zachtmoedig, een beetje de kat uit de boom kijkend, gemoedelijk. Ik doe veel opdrachten voor Brabantse familiebedrijven. Dan helpt het >> als je weet hoe die mensen in elkaar steken. Ook zij zijn totaal niet opschepperig, terwijl ze hier grote daden neerzetten. Denk aan de Swinkeltjes van Bavaria en de Van Eerdjes van de Jumbo, allemaal grote jongens.”

Naast hun bescheiden kant kent hij ook die andere kant. “Brabanders zullen nooit rechtstreeks zeggen wat ze van iemand of iets vinden, dat merk ik bij die bedrijven en dat kon mijn moeder ook. ‘Mens’, zei ik dan, ‘waarom zeg je niet gewoon eerlijk wat je vindt?’ Dat kon ze niet, voor de goede vrede. Het was een zegen dat mijn broer en ik heel anders in elkaar staken; wij hebben hen echt meegetrokken in onze wereldse levens.”

Het was al snel duidelijk dat zoon Theo geen boer in spe was: “Ik vind kippen en koeien stinken.” Maar toen zijn broer er ook van afzag, en duidelijk werd dat beide zoons van de mannenliefde waren, moest het traditionele katholieke ouderpaar wel even schakelen. “Dat was echt een grote teleurstelling in hun levensverwachting: geen opvolger voor de boerderij én geen kleinkinderen. Niet eenvoudig voor ze, maar ze toonden zich warmhartig en tolerant.

“Het heeft denk ik wel geholpen dat ik iets bereikte: als ze me in het zes-uurjournaal zagen, waren ze echt trots. Dat heb ik ze gelukkig wel kunnen geven. ‘Ons Theo zit bij de NOS’, zeiden ze in het dorp. Al is Anky van Grunsven natuurlijk de beroemdste Erpenaar, daar kan ik niet aan tippen”, zegt hij breed lachend.

Wilde u altijd al journalist worden?

“Nee, dat is zo gelopen, net als veel dingen in mijn leven. De middelbare school was niet prettig, daar gold het recht van de sterkste, een lompe, harde sfeer. Mijn geaardheid hielp niet: een lastige tijd. Ik wilde per se uitvliegen. Ik wist niet goed wat ik wilde, dus koos ik voor de sociale academie in Den Bosch. Het waren de jaren tachtig, er was geen uitzicht op werk of een toekomst. Toch was die tijd goud waard voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik werd verliefd op een kraker, een anarchist en genoot intens van dat activistische wereldje. Zelf was ik niet zo, maar ik schurkte er graag tegenaan. Ik deed met alle protesten mee.

“Tot mijn dertigste nam ik hiervoor de tijd. Ik ben een echte laatbloeier. In alles ben ik laat. Ik zat jaren in de bijstand en deed aan proletarisch winkelen – we vonden dat we daar recht op hadden. Ik voelde alle ruimte om te leven. Twintigers willen tegenwoordig zo snel ergens zijn, iets bereiken. Ik heb twee jonge vrienden, een cameraman en een verslaggever, die hebben ook zo’n haast: ik maan ze geregeld om toch alsjeblieft de tijd te nemen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

In die jaren doet hij wat radiowerk voor de lokale omroep en na drie keer uitgeloot te worden bij de School voor Journalistiek, leert hij het vak in de praktijk bij Brabantse lokale en regionale omroepen.

Wanneer ontdekte u dat die bescheiden boerenzoon eigenlijk een podiumdier was?

“In de jaren negentig maakte ik het veelbekeken regionale tv-programma ‘Gestrikt’, in de lijn van presentator Gert-Jan Dröge. Ik bezocht borrels van lokale high society, heel losjes en met een kwinkslag, mensen vonden me grappig. Daarna werd ik presentator van de Late Night Show bij Theaterfestival Boulevard. Ik stond in de coulissen en wilde vooral wegrennen, maar toen hoorde ik de band, het publiek, ik werd aangekondigd en dook ik er gewoon in. Optreden gaf mij een lekker gevoel en het gaf mijn zelfvertrouwen een flinke boost.”

Soms kwamen zijn ouders naar zo’n voorstelling kijken. “Dan riep mijn vader: ‘Da gij unne zoon van men bent’. Stiekem vond hij het prachtig, eigenlijk was hij ook een ondeugende man.”

Daarna raakte zijn carrière in de stroomversnelling, na de regio volgde de landelijke media: de Vara, de NOS, eerst het Radio 1 Journaal, in 2006 kwam tv erbij. Hij werd verslag­gever van het Koninklijk Huis, versloeg rampen, volgde de Q-koorts uitbraak. Was als eerste bij de tramaanslag in Utrecht. “Ik heb zoveel gedaan en gezien, overal waar ik in Nederland kom, heb ik weleens iemand geïnterviewd. Van boze boeren tot koning Willem-Alexander. Toch maakten kwetsbare mensen de meeste indruk op me. Ik vond het heerlijk, ik had nog jaren kunnen doorgaan.”

Maar dan komt vorig jaar zijn chef langs en zij vertelt dat de NOS wil stoppen met de samenwerking: zowel hij als zijn zakelijke partner en radiomaker Maino Remmers, met wie hij al jaren hun bedrijf De Mediamannen runt, horen dat hun freelancewerk ophoudt. “Dat was een ongelooflijke klap. Ik had het totaal niet zien aankomen. En eerlijk gezegd vond ik het ook te vroeg. Het argument was dat ze andere mensen een kans wilden geven verslaggever te worden, collega’s die anders misschien zouden vertrekken naar de commerciëlen. Natuurlijk lag het niet aan mij, mijn leeftijd of mijn kwaliteit, zeiden ze.”

Hoe ging u met dat ontslag om?

“Ik vond het erg moeilijk, nu went het langzaam, maar ik vind het een ingewikkelde fase: ik ben 62, wat wil ik nog? Mijn leven was zo gestructureerd, ik werd elke dag ergens anders op af gestuurd. Nu word ik wakker en kan ik kiezen wat ik wil. Een luxepositie, maar ik moet nog erg wennen. Daarom drink ik zoals altijd nog elke ochtend in hetzelfde tentje koffie en lees de krant. Ik krijg inmiddels prachtige klussen en heb niet stil gezeten: ik geef mediatrainingen en Maino en ik maakten in coronatijd een dagelijks tv-programma in Den Bosch.”

En u nam een puppie.

“Op advies van vrienden.” Dorus, de roestbruine Cavalier-poedel, graaft tijdens het gesprek een gat onder de terrastafel en sjeest achter andere hondjes aan. “Ik ben hem aan het opvoeden, best lastig, ik vind alles leuk wat hij doet. Kinderen heb ik nooit geambieerd, maar ik ontdek dat ik heel zorgend kan zijn. Dorus geeft me structuur in deze fase. Ik heb tijd nodig om te schakelen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Het is afscheid, na afscheid, na afscheid, vertelt hij. “Eerst overleed mijn moeder – ik was heel dol op haar, we leken ook op elkaar. Ik raakte toen een heel goede vriend kwijt, daarna kwam het afscheid bij de NOS en vervolgens brak de coronacrisis uit. Een oom van me overleed, daarna mijn tante. Vorige week was ik bij mijn neef die door corona een hersenbloeding kreeg. Zijn verlichtingszaak staat nu in de verkoop, hij wordt niet meer de oude, vermoed ik. Het komt zo dichtbij, het verlies is hier zo groot.”

En dan zag u ’s avonds op het Journaal voormalige collega’s verslag doen?

“Inderdaad, ze stonden voor het ziekenhuis in Uden waar ik vaak kwam. Dat was slikken. Dit is mijn regio, dit zijn mijn mensen, dacht ik dan. Het verschil zit ’m in kleine dingen. Als bekende Brabander komen mensen sneller op me af, vertellen ze je meer. ‘Ah daar heb je ons Theo’, zeiden ze. Ik vond dat heel eervol.”

Nu hij zichzelf opnieuw moet uitvinden, helpt het dat hij zijn geboortestreek nooit heeft verlaten. “Ik heb weleens gedacht aan verhuizen naar Amsterdam of New York zelfs, nu ben ik blij dat ik dat niet heb gedaan. In Den Bosch ken ik iedereen en iedereen kent mij. Er is niets belangrijkers dan je ergens geaard voelen, dat helpt mij nu.”

“Deze fase voelt een beetje als die periode dat ik maar wat aanklooide als twintiger. Ik laat alles om me afkomen, wil niet overal automatisch ja op zeggen. Soms stap ik zelf ergens op af, zo ben ik sinds kort lid van de Rotary. Dat had ik niet kunnen denken als ex-kraker. Maar nu ik niet meer die neutrale verslaggever hoef te zijn, voer ik andere gesprekken met bestuurders, huisartsen en brandweercommandanten. Ik geef meer mijn mening en meng me in discussies, zoals over het gebied waar we nu wandelen.”

Wat zou u hier willen aanpakken dan?

“Eerlijk gezegd gaan mensen van buiten, die hier zijn komen wonen, beter om met dit landschap dan de oorspronkelijke bewoners. Ik gruwel van het economische gebied dat de Peel is geworden. Ik herken het niet meer. De laatste keer dat ik verslag deed van de boerenprotesten bij het provinciehuis, maakte mijn achtergrond als boerenzoon geen indruk meer. Ik werd bedreigd. Ik hoorde bij de vijand en kreeg beveiligers mee om reportages te maken. Totale waanzin. Bij die jongens van Farmers Defence Force heb ik geen warme gevoelens.”

“Ik voel dat het een andere kant op moet. De Peel heeft zoveel klappen gekregen: eerst de verschraling van het land, het fijnstofprobleem, de luchtvervuiling, de megastallen, de Q-koorts-uitbraak, de intensieve veehouderij en nu Covid-19. Ik vind het niet vreemd dat de corona-uitbraak hier zo groot was. Dit gebied is zo ongezond, mensen ademen zulke slechte lucht in. Dat raakt me. Deze regio is echt geknakt, ik weet niet of die nog de oude wordt. Misschien ligt daar wel een taak voor me als boerenzoon uit Erp.”

Theo Verbruggen (Erp, 1958) werkte na zijn start bij Omroep Brabant 25 jaar voor het Radio 1 Journaal en het NOS Journaal als verslaggever Koninklijk Huis en binnenland. Voor zijn bedrijf De Mediamannen maakt hij sinds zijn ontslag bij de NOS (bedrijfs)filmpjes en regionale tv-uitzendingen. Hij treedt op als dagvoorzitter, presentator en mediatrainer. Verder is hij bestuurder van Nationaal Monument Kamp Vught, ambassadeur van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en Stichting Terminale Thuiszorg. Hij woont in Den Bosch met zijn hond Dorus.

Leuke meisjes worden ook 50

‘Ik verbaas me iedere dag weer hoe weinig vrouwen weten over hun lichaam’

Beeld Patrick Post/Trouw

De zorg om de vrouw heen laten dansen. Dat was de droom van uro-gynaecoloog dr. Manon Kerkhof (47). Toen haar eigen ziekenhuis haar plan dwarsboomde, zette ze zelf zo’n kliniek voor vrouwenzorg op. Haar boek over de overgang is net uit: Ook leuke meisjes worden vijftig.

PROEVEN – Ik wil niet proeven, maar alles zelf echt ervaren

‘Ik heb wel wat met de ouderwetse uitspraak ‘de nieren proeven’. Iemand doorgronden en werkelijk peilen. In mijn expertisecentrum vrouwenzorg werk ik alleen met mensen die net als ik vanuit hun hart werken en leven, vanuit ­authenticiteit. In mijn huidige team – met alleen vrouwelijke zorgverleners en mannelijke ondersteuners – hebben we amper mot of gedoe. Omdat we vanuit dezelfde passie en drijfveer zorg verlenen. Ik barst altijd van de ideeën en zou wel negen parallelle levens willen leiden.

Ik proef niet voorzichtig van het leven, maar wil alles zelf meemaken en ervaren: dingen ontdekken. Ik ben opgegroeid in Twente tussen de koeien en de boerderijen en ik weet nog goed dat ik tien was en mijn klasgenootje Wim een spreekbeurt hield over kanoën. Een week later zat ik zelf in een kano. Op de slaapkamer van mijn ouders had ik stiekem de penningmeester van de kanoclub gebeld en geregeld dat ik meekon op kanokamp. Zo leef ik het liefst. Ergens in duiken zonder te twijfelen.

Vlot daarna ging ik fanatiek wildwaterkajakken. Doodeng vond ik dat, en nog steeds, je bent maximaal kwetsbaar. Je weet nooit wat er om de hoek gebeurt, je moet durven en met de stroom meegaan. En feilloos vertrouwen op de mensen van je team: alleen kajakken is levensgevaarlijk. Die ervaringen neem ik in mijn werk en leven mee.

Toen ik aan de opleiding geneeskunde begon, dacht ik dat ik kinderarts wilde worden, naar toen ik op die afdeling coschappen liep, wist ik: ik wil geen kinderarts worden, ik wil zélf kinderen. De maand nadat ik mijn bul geneeskunde had gehaald, was ik zwanger. Bij het coschap gynaecologie kwam voor mij alles samen: daarin zat zowel het emotionele als het actiegerichte aspect. De emoties die bij een geboorte komen kijken, mooie gesprekken voeren én de actie van het opereren. Met een muziekje op in de operatiekamer staan, iets herstellen wat niet goed is: prachtig vind ik dat.”

VOELEN – Voelen wat goed is, is doen wat goed voor je is

“Dit behandelcentrum waarbij alle specialismen integraal om de vrouw heen dansen, bedacht ik al jaren ­geleden. Sterker nog, ik werd er speciaal voor aangenomen bij het toenmalige Kennemer Gasthuis in Haarlem. Maar na vier jaar keihard werken aan dat plan, compleet met marktonderzoeken en financiële plannen, trok mijn directie op het allerlaatste moment de keutel in. Toen knapte er iets bij mij. Mijn vertrouwen was beschaamd.

Hoe doodeng ook, ik heb toen mijn baan opgezegd. Een opmerkelijke keuze in ziekenhuisland. Maar ik wist: ik heb kennis en kunde, dat plan, mijn droom komt ooit uit. Ik had dat rotsvaste vertrouwen én voelde kwetsbaarheid. Spijt heb ik nooit gehad. Ik heb daarna mijn promotieonderzoek naar bekkenbodemproblematiek ­afgerond en drie jaar geleden richtte ik Curilion op.

Ik voelde dat ik dit moest doen, dat dit centrum ook voor mij goed zou zijn. Ondanks het feit dat ik nog nooit zo hard heb gewerkt – zelfs harder dan toen ik voltijds werkte, een opleiding volgde en twee jonge kinderen had – geniet ik volop. Dat snoeiharde werken komt ­omdat ik overdag als arts zorg lever en ’s avonds als ondernemer de kliniek run. Dat laatste is nieuw voor me en complex, want als zelfstandig behandelcentrum ben je gewoon een klein ziekenhuis en moet je aan alle ­regelgeving voldoen. Ik wil excellente zorg leveren die toegankelijk is voor iedere vrouw. We zijn bewust geen ­privékliniek.”

ZIEN – Wat je niet weet, zie je niet

“Natuurlijk had ik geen tijd om ook nog een boek te schrijven, maar samen met gezondheidswetenschapper dr. Maaike de Vries vond ik dat het er wél moest komen. Als twee ‘Duracell-konijntjes’ hebben we eraan gewerkt. Een intens proces, maar we hebben echt een klik samen en dat maakt veel uit. Met het boek Ook leuke meisjes worden vijftig willen we vrouwen meer kennis bij­brengen over de overgang en vrouwen in deze fase, empoweren.

Ik verbaas me iedere dag weer hoe weinig vrouwen ­weten over hun eigen lichaam en vooral over wat er ­allemaal mee kan gebeuren tijdens de overgang. In de spreekkamer leg ik dan uit dat al hun klachten, die ze vaak jarenlang hebben weggewoven, gewoon bij de overgang horen. Dan zie je de schellen van hun ogen vallen. ‘Oh echt? Ik ben dus niet gek’, zeggen ze vaak.

Die nuchtere Nederlandse houding van ‘het hoort er allemaal bij’ helpt niet, vind ik. Met ons boek willen we daarom meer bewustwording creëren, zodat mensen echt zien hoe het lichaam in elkaar steekt. Want wat je niet weet, zie je niet.”

HOREN – De zorg moet meer luisterkamers hebben

“Onze spreekkamers zouden eigenlijk ‘luisterkamers’ moeten heten, zei een dierbare collega eens. Dat klopt. Wat ik door de jaren heen allemaal niet heb gehoord aan vertrouwelijke verhalen. Ik trek voor een intake dan ook veel tijd uit, dat is gewoon nodig. Wil je iemands klachten doorgronden, moet je de persoon en zijn levensgewoontes beter leren kennen. Het draait bijna nooit om één solitaire klacht en fysieke en mentale problemen hangen vaak met elkaar samen. Het verhaal erachter ­uitvragen is belangrijk, zodat je die informatie kunt meenemen in het behandelplan. Hierdoor voelen ­mensen zich gehoord en gezien.

Steeds vaker hoor je een pleidooi voor meer kunstmatige intelligentie in de zorg, waarbij je de dokter kunt vervangen door een computer waarop je alle klachten ­invoert tot er een diagnose uitrolt. Prachtig natuurlijk, maar dan mis je wel waar ik in geloof: niet alleen in ­geneeskunde, maar vooral in geneeskunst.

Dat betekent combineren, creatief denken én je­ ­intuïtie inzetten: het bekende ‘pluis/niet-pluis-gevoel’ waar ik volledig op durf te vertrouwen. Toen ik nog in het ziekenhuis werkte en bij een zwangere vrouw bij wie het ogenschijnlijk goed ging en de controles goed waren toch dat onbestemde voorgevoel had, vroeg ik ­altijd om extra controles door de verpleging om even­tueel op tijd in te grijpen. Dat voorgevoel heeft me nog nooit in de steek gelaten. Daar kan geen computer ­tegenop.”

RUIKEN – Andere geuren zorgen voor nieuwe ontdekkingen

“Mijn man Rob kreeg jaren geleden een ernstig auto-ongeluk en lag goed in de poeier. Op dat moment rook hij niet meer naar zichzelf. Dat was zo’n bevreemdende ervaring. Bekende geuren hebben met je thuis voelen te maken, met veilig en vertrouwd. Als ik in een ander land ben met compleet nieuwe geuren, weet ik dat ik iets nieuws ga ontdekken.

Door corona mis ik die manier om echt even ‘uit te staan’. Dat lukt altijd het beste als ik mijn minder CO2-vriendelijke liefhebberij uitvoer: reizen. Dan kan ik mijn werk pas echt loslaten. Toen wij kinderen kregen, nam ik me voor om onze dochters zoveel mogelijk belevingen mee te geven. Ervaringen die hun wereldbeeld oprekken, die laten zien dat wat wij normaal vinden, niet voor iedereen normaal is.

Net als toen ik enkele maanden als jonge dokter in Ghana werkte waar ik de enige witte persoon was in die regio. Waar vrouwen naast elkaar bevielen op een stuk plastic, vol bloed, bijna als dieren. Voor mij was dat een zeer schokkende ervaring, maar diezelfde vrouwen ­spraken de dag erna helemaal niet traumatisch over hun bevalling. Ook voor mij was er niet altijd iets te eten. Dat leerde me al jong dat niet alles maakbaar is, dat niet ­iedereen, zoals in ons land vaak de teneur is, maar overal recht op heeft.”

INTUÏTIE – Vertrouw op het verzamelen van levenservaringen

“Nu ik ouder ben en meer ervaringen heb opgestapeld, vertrouw ik nog meer op mijn intuïtie. Net als mijn ­patiënten heb ik inmiddels zelf zwangerschappen en ­bevallingen meegemaakt. Ik weet wat die eerste weken met een baby thuis, zonder die grote roze wolk, betekenen. En nu dus de overgang. Als een patiënt mij vertelt dat ze mantelzorger is van ouders met alzheimer, weet ik wat ze meemaakt. Toen ik mijn baan opzegde in 2013 viel dat toevallig samen met de zorg voor mijn schoonouders die vlak achter ons woonden.

Met ons hele gezin hebben we voor ze gezorgd. In bad doen, eten koken, ’s nachts bij ze slapen. Op het laatst lukte het ons helaas niet ze thuis te houden en maakten we verdrietig genoeg een crisisopname mee. Dat proces van dementie, waarbij je afscheid neemt van mensen in levenden lijve, waarbij iemands identiteit voor je ogen verdwijnt, is zo zwaar. Dat is rauwe rouw. Ik kan me hierdoor beter inleven; ik hoef het mij niet voor te stellen, want ik weet hoe het voelt.

Beeld Patrick Post/Trouw

Al heeft ouder worden ook minder fijne kanten. Ik zou nog best het lijf van een 28-jarige willen hebben.

Op mijn leeftijd kan ik ’s avonds echt niet meer twee glaasjes wijn drinken zonder de hele nacht wakker te ­liggen. Herkenbaar? Daarom geven we in ons boek veel tips: we wilden de nieuwste wetenschappelijke inzichten helemaal platslaan tot het voor iedereen begrijpelijk is. Er staat veel beschreven over het lichaam, maar ook over leefstijl, stress en eten in de overgang. Eet niet te veel, gewoon drie keer per dag en zonder tussendoortjes.

Sporten? Zeker. Ik weet het: krachttraining is saai, maar super belangrijk om klachten te voorkomen. ­Zolang je dat lijf maar in beweging houdt. Zelf loop ik al mijn hele leven hard, het liefst in de Waterleiding­duinen, dat voelt als rennen in het buitenland. Daar ben ik het gelukkigst. Kies iets wat bij je past. En heel belangrijk: in de overgang gaat het om minder moeten en meer kiezen. Niet alles moet meer, doe wat je leuk vindt, wat bij je past. Zo drink ik alleen nog maar goede koffie en eet er elke avond een stuk chocolade bij. Het moet wel haalbaar blijven. Ik ben geen superwoman.”

Dr. Manon Kerkhof (47) is uro-gynaecoloog en richtte drie jaar geleden haar ­eigen kliniek Curilion in Haarlem op, een zelfstandig ­behandelcentrum voor vrouwenzorg. Ze is gespecialiseerd in reconstructieve bekkenchirurgie en hormonen en werkt ook als consulent in het Amphia ­Ziekenhuis in Breda. Kerkhof promoveerde in 2014 op onderzoek naar weefselregeneratie van bindweefsel van de bekkenbodem bij vaginale verzakking. Met haar man, wetenschapsjournalist Rob Buiter, heeft ze twee dochters.
Haar boek Ook leuke meisjes worden vijftig is net uit en zit vol wetenswaardigheden over de werking van het vrouwenlichaam en bevat tips over wat vrouwen zelf kunnen doen. Uitgeverij Kosmos­­, € 21,99.

Spirituele plekken

In Zomertijd maakte ik een serie over spirituele plekken in ons land.

Dit meditatieve bos met spiegelend meer is de perfecte plek om je even terug te trekken

Dit meditatieve bos met spiegelend meer is de perfecte plek om je even terug te trekken





Gedoemd door de vloek van een zeemeerman

Gedoemd door de vloek van een zeemeerman

‘De legende met de borsten verdween’

‘De legende met de borsten verdween’


‘De energie op de Wadden opent je hart’

‘De energie op de Wadden opent je hart’

Naschriften 2020

In 2020 schreef ik voor Dagblad Trouw ettelijke Naschriften. Verhalen van mensen die onlangs zijn overleden en die inspireren en motiveren om iets van je eigen leven te maken. Hier een selectie uit de diverse artikelen






Van de ov-fiets tot een houten wolkenkrabber, de gedreven Boukje leefde om te creërenVan de ov-fiets tot een houten wolkenkrabber, de gedreven Boukje leefde om te creëren

Variété zat bij Ton Ramaker (1942-2020) in zijn bloedVariété zat bij Ton Ramaker (1942-2020) in zijn bloed


Theatermaker Margot de Jong (1949-2020) sprak mensen aan op wat ze kunnen, niet op wie ze zijnTheatermaker Margot de Jong (1949-2020) sprak mensen aan op wat ze kunnen, niet op wie ze zijn



Bestelde je kreeft bij Lucas Rive (1962-2019), dan kreeg je ook echt kreeft op je bordBestelde je kreeft bij Lucas Rive (1962-2019), dan kreeg je ook echt kreeft op je bord

‘Je inzetten voor natuur en milieu houd je alleen vol met motivatie vanuit het evangelie’Milieukundige Martine Vonk: ‘Je inzetten voor natuur en milieu houd je alleen vol met motivatie vanuit het evangelie’

Elske (1988-2019) kocht voor haar geliefden alvast een stapel boeken over rouwenElske (1988-2019) kocht voor haar geliefden alvast een stapel boeken over rouwen

Naschrift: Nelleke Wuurman was de hoedster van Overvecht

Nelleke kende iedereen en iedereen kende Nelleke. Ze zette zich fulltime als vrijwilliger in om de Utrechtse wijk Overvecht leefbaarder te maken.

Als Nelleke Wuurman iets in haar hoofd had, zat het nergens anders. Pittig en daadkrachtig zorgde ze ervoor dat de Utrechtse ‘krachtwijk’ Overvecht leefbaarder werd. De oud-onderwijzeres was actief in diverse wijkraden en buurtoverleggen en was twaalf jaar Statenlid voor de Partij van de Arbeid. Zij kon als geen ander op haar welbespraakte manier tegenstanders overtuigen van haar argumenten, en haalde alles uit de kast om haar zin te krijgen. Haar wijkwerk was haar leven.

De buurtkinderen noemden Nelleke altijd ‘de baas van de wijk’. Op haar uitvaart werd ze ook de ‘hoedster van Overvecht’ genoemd. Die titel paste haar: zij behoedde de wijk voor verloedering en knokte ervoor dat bewoners op een positieve manier met elkaar in verbinding bleven. Zelf deed ze dat door flyers over een door haar georganiseerd event bij iedereen persoonlijk af te geven. En als er een negatief artikel over haar wijk in de krant verscheen, belde ze de journalist stantepede op. Zij vond dat haar wijk beter verdiende. Hoe ze dat deed liet ze vorig jaar zien in het tv-programma ‘Typisch Overvecht’ waarin ze optrad.

Nelleke had haar hart verpand aan die multiculturele wijk met de nodige problematiek. Wanneer familie haar weleens aanspoorde naar een wat betere buurt te verhuizen, wilde ze daar niets van weten. ‘Ik vind het veel te gezellig tussen al die vreemde vogels’, antwoordde ze dan. Ze was warmhartig, betrokken en oordeelde niet snel. Bang was ze ook niet. Vaak genoeg trof ze na haar avondvergaderingen hangjongeren aan voor haar deur, maar ze keek hen altijd recht aan en als ze rottigheid uithaalden ging ze erop af. Iedereen had ontzag voor de 79-jarige buurtbewoner.

Nelly Catharina Wuurman werd geboren op 17 februari 1940 in Amsterdam als oudste dochter van metaalbewerker Cornelis Wuurman en coupeuse Cor Wolvers. Haar ouders werkten beiden veel en hard. Nelleke, haar zusje Cor en broertje Kees waren al jong zelfstandig. Ze speelden hele dagen spelen op straat, gingen vaak naar Artis, waar ze via de Plantage Doklaan naar binnenglipten. ’s Avonds mochten ze niet verder dan de leeuwenkop op de brug bij het Tehuis voor Ouden van Dagen, het huidige Sarphatihuis. Nelleke was de serieuze van het drietal, de verantwoordelijke. Die rol pakte ze steviger op toen onverwachts haar moeder overleed. De kinderen wisten niet eens dat ze ziek was toen een tante hen in de keuken vertelde dat moeder dood was.

Zonder dat iemand het haar vroeg nam ze de moederrol over: koken, wassen, strijken en ze stuurde Kees en Cor op tijd naar school. Dat moest, maar stoppen met de middelbare meisjesschool wilde ze niet. Ze was toen net 16. Haar vader draaide intussen dubbele diensten om Nelleke te laten studeren. Ze stelde haar vader niet teleur en haalde in twee jaar tijd haar diploma voor de kweekschool en stond als 19-jarige voor de klas.

Ze bleef nog jaren thuis wonen tot ze een vacature zag bij een Nederlandse school in het Duitse Handorf. Ze hield wel van een uitdaging en ging lesgeven aan de kinderen van daar gelegerde Nederlandse militairen. Ze ontmoette er Roel Heskamp, die bij de luchtmacht werkte. De twee verschilden zo van elkaar dat ze elkaar mooi aanvulden; wanneer Nelleke te extreem doordraafde, trapte hij op de rem. Ze trouwden in 1971. Ook in haar relatie schuwde ze de confrontatie niet. Vooral over politieke kwesties konden ze pittig discussiëren: Roel met zijn standpunten als D66’er en zij met die van de PvdA. ‘Zijn stimulerende manier van praten hielp mijn persoonlijkheid te vormen’, zei ze later. Het stel kreeg geen kinderen, maar dat ervaarde ze niet als gemis. ‘Ik heb elke dag al veertig kinderen in mijn klas’, zei ze luchtig.

Op een ochtend in 1986, ze woonden inmiddels alweer jaren in Utrecht Overvecht, vertrokken ze beiden naar hun werk. Tot zij een telefoontje kreeg: Roel had een hartstilstand gekregen. Ze was helemaal van de kaart, ze hadden nog zoveel plannen samen. Haar zus Cor bood aan te blijven slapen, maar na een paar nachten stuurde ze haar naar huis. Een paar dagen na de begrafenis stond ze weer voor de klas. Net als na haar moeders overlijden beet ze zich vast in allerlei activiteiten, om maar niet alleen thuis te zitten. Na Roel kwam er nooit meer een andere man in haar leven. Want, zo zei ze: ‘Zo eentje bestaat niet meer.’

 

De laatste twintig jaar van haar carrière werkte Nelleke op de toenmalige Mahatma Gandhischool, eerst als lerares, later als adjunct-directeur. Dolgraag had ze directeur willen worden toen de school fuseerde met een andere school uit de wijk, maar de keuze viel op een jongere concurrent en dat stak haar. De lol was er voor haar af. Ze was toen al een paar jaar statenlid voor de PvdA en stopte al haar energie daarin. Ze streed voor een groene en milieuvriendelijke provincie, en kwam op voor de positie van vrouwen: ze was een echte ‘rooie vrouw’.

Nelleke was oprecht verontwaardigd over zaken die in naar ogen de verkeerde kant op gingen. Zoals de verplaatsing van de prostituees van het Zandpad naar een andere locatie in Overvecht. Ze protesteerde hevig, niet alleen omdat ze vond dat die vrouwen een eerbaarder beroep verdienden, maar ook omdat ze niet wilde dat haar wijk als afvoerputje van de stad werd gebruikt. Haar heldere, luide stem klonk bij die verhitte vergaderingen boven alles uit.

Na haar prepensioen nam ze nog meer vrijwilligerswerk aan. Ze had er veel lol in. Ze vond het fijn ergens een stem in te hebben en genoot van haar positie in de wijk. Ze werd erkend en gezien. Dat ze later geridderd werd en de Speld van de Stad Utrecht ontving, zag ze als waardering voor al haar inzet. Onderwerpen waar ze zich hard voor maakte waren welzijn, gezondheid, onderwijs en ruimtelijke ordening. Voor mensen met een beperking en ouderen zette ze zich extra in, ze verzette zich tegen het stigma dat zij zielig of hulpbehoevend waren. Ze was actief voor ouderenorganisaties ANBO en COSBO en gaf zelf graag het goede voorbeeld door als zeventiger nog actief en vitaal te zijn.

Nelleke kende altijd alle dossiers van binnen en buiten en haar kantoor, in een van haar slaapkamers, stonden kasten vol dossiermappen. Ze beheerde zeer punctueel haar eigen wijkarchief. In een andere slaapkamer richtte ze een bibliotheek in met wel vierduizend boeken. Ze las graag en was trouw lid van een leesclub. Ze had altijd als eerste het boek uit en verzuimde nooit.

Omdat haar vrijwilligerswerk zoveel tijd opeiste, nam ze alle schoolvakanties vrij. Dan trok ze erop uit. Meestal alleen. Om de accu op te laden. Naar haar lievelingsstad Parijs ging ze zeker twee keer per jaar. Daar kocht ze graag mooie kleding en struinde ze eindeloos door Franse musea, ze verveelde zich er nooit. Een andere hobby was het verzamelen van kattenbeeldjes en -schilderijen; ze had een Corneille met een kat aan de muur hangen. Ze was een echte poezengek: haar eigen poezen waren haar alles, ze had er geregeld een stuk of vijf in huis. Zoals poes Sara, die ze omschreef als intelligent en origineel. Tegen Sara sprak ze altijd Frans. Zij begrepen elkaar volledig en ze sprak over haar als een geliefde huisgenoot. Toen Sara vorig jaar onverwacht overleed, raakte ze in diepe rouw. Ze ging kijken in het asiel voor een nieuwe poes, maar het werden uiteindelijk twee babypoesjes, waar ze eindeloos mee in de weer was.

Nelleke kende zichzelf goed, ze was zelfverzekerd en nam nooit een blad voor de mond. Ze wist dat ze een pittige tante was en was daar trots op. Van doetjes hield ze niet. Als mensen haar tegenwerkten, raakte haar dat wel. Toen ze eens per ongeluk een mail ontving die zeer kritisch was over haar doortastende optreden, aarzelde ze geen moment en stapte acuut op bij die club. Ze kon ook wat ongenaakbaar zijn, deelde niet snel iets persoonlijks. Met de mensen in de wijkcomités was het contact best zakelijk, al sprak ze ook eens de wens uit om elkaar wat beter te leren kennen. Eind februari viel ze van de trap en verscheen die avond voor het eerst niet op haar boekenclub. Haar buren zagen de hele nacht licht branden en waarschuwden de familie. Haar agenda stond nog bomvol afspraken, ze had nog zoveel plannen. Overvecht weet niet goed hoe het nu verder moet zonder Nelleke.

Nelly Catharina Wuurman werd geboren op 17 februari 1940 en overleed op 26 februari 2019.

In Trouw: zie hier de pdf

Nelleke Wuurman

Nelleke Wuurman2

Naschrift: Pas laat in haar leven vond Rie geluk

Rie Frazers leven zit vol tegenslag en geweld. Tot ze verliefd wordt op haar 23 jaar jongere buurjongen, pas dan voelt ze zich veilig.  

Rie Frazer had op heldere momenten soms in de gaten, dat er iets niet klopte in haar hoofd. Vlak voor kerst sprak ze het nog uit, toen ze even ging rusten ’s middags. Als er nu maar een pilletje bestond waardoor ze er samen tussenuit konden knijpen, vertrouwde ze haar geliefde toe. Door haar vasculaire dementie waande ze zich geregeld in vroeger tijden. En dat waren nu juist de jaren waar ze liever niet aan dacht. De erbarmelijke omstandigheden waarin ze opgroeide had ze bewust achter zich gelaten. Ze keek liever naar de positieve kanten van haar leven. Rie kon als geen ander genieten van kleine dingen, zoals haar tuintje volhangen met kleurrijke bloeiers, haar kamer opvrolijken met sierlijk gehaakte kleden of lekker koken voor haar drie kleinszoons die al zestien jaar lang iedere woensdagavond bij haar kwamen eten.

In 1923 wordt Rie onder een ongelukkig gesternte geboren. Haar moeder, Francina Bisschop, is een vrouw van lichte zeden die op haar twintigste wegloopt van huis. In een tehuis voor ongehuwde moeders in Utrecht bevalt ze van Maria (Rie), die enig kind blijft. Rie weet niet of de man met wie haar moeder daarna gaat samenwonen haar vader is. Haar moeder noemt haar altijd ‘dat jonk van die zwerver’, en wanneer kinderen op school vragen wie nu toch haar vader is, weet ze nooit goed wat ze moet zeggen. Ze noemt steeds andere namen en krijgt de bijnaam ‘Marietje Lampescherf’. Rie blijft haar hele leven zoeken naar haar vader.

In huize Bisschop is het een komen en gaan van mannen en Rie is vaak getuige van ruzies. Zelf krijgt ze ook geregeld om haar oren. Haar dominante moeder wil haar vooral weg hebben en stuurt haar naar opa en oma in Nijmegen, daar geniet ze, Rie is dol op haar opoe. Haar moeder klaagt ook eens bij de huisarts dat Rie zo mager is, zodat hij haar naar een kinderkolonie stuurt. Rie vindt het er vreselijk en noemt de nonnen ‘krengen van barmhartigheid’.

Uiteindelijk is er één man die blijft, Daan Frazer, met wie haar moeder in 1930 trouwt en die haar erkent als zijn wettige kind. Helaas ontpopt haar stiefvader zich niet als de liefhebbende vader waar ze van droomt; ook van hem krijgt ze slaag. Alleen op school is Rie gelukkig is; ze vindt het er geweldig en kan uitstekend leren. Ze slaat zelfs een klas over, mag Frans en Engels leren en krijgt gratis pianoles. Maar haar jaloerse moeder steekt daar een stokje voor en dwingt haar te gaan werken in een pension. Ze is dan twaalf jaar. De eigenaars van het pension waarderen de hardwerkende Rie en bieden haar een baan aan in hun grotere hotel waar ze kan doorleren, maar zodra moeder er lucht van krijgt, moet Rie ergens anders aan de slag. Al is Rie niet op haar mondje gevallen, inmiddels weet ze dat haar moeder tegenspreken veel slaag oplevert.

Rie mag wel op toneel bij ‘de Haard’, waar ze het gezellig heeft en vriendinnen vindt. Geweldig vindt ze het om even te verdwijnen in een andere rol. Ook bezoekt ze de ‘Zusters van Hallo’, waar ze leert handwerken en zingen en soms soep meekrijgt voor thuis. Vanaf haar zestiende werkt ze bij de Nederlandse Export Papierfabriek waar ze goed kan opschieten met haar collega’s. Regelmatig hebben die door dat Rie het thuis zwaar heeft, niet alleen omdat ze na haar werkdag nog strijk- en poetswerk moet doen, maar ook omdat ze eens met een blauw oog op het werk verschijnt – na een klap met de strooppot. Een van haar bazen biedt aan haar op te nemen in zijn eigen gezin, maar Rie bedankt. Ze weet dat het de ellende alleen maar zal vergroten. Als ze een jaar of twintig is, is ineens de maat vol. Als haar stiefvader haar voor de zoveelste keer achterna zit, rent ze net zo lang rondjes om de tafel tot hij uitgeput raakt. Ze grijpt de bloempot met een clivia uit de vensterbank en schreeuwt: “Als je me nog één keer aanraakt, vermoord ik je.” Over haar moeder zei ze later: “Die leugenaar had nooit een kind mogen krijgen.”

In de oorlogsjaren werkt Rie gewoon door, ook als de fabriek wordt overgenomen door de Duitsers. Ze is blij dat ze werk heeft. Wel let ze op dat ze niet met Duitsers gezien wordt. Vlak voor het bombardement van 1944 schuilt ze met collega’s in de kelder voor de Amerikaanse bommenwerpers. En net als het sein veilig is gegeven en ze weer aan het werk wil, ziet ze de vliegtuigen terugkeren en de bommen op de Nijmeegse binnenstad vallen. De kelder van de fabriek wordt gebruikt om de dode lichamen te bergen; beelden die ze nooit meer van haar netvlies krijgt.

In de fabriek leert ze Gerard Geutjes kennen, een boerenzoon die haar vlijt en inpalmt. Door hem te huwen hoopt ze aan haar misère te ontsnappen. Maar ook Gerard kan zijn handen niet thuishouden en ze raakt van de regen in de drup. Ze stopt met werken en richt zich op het huishouden. De komst van haar twee dochters, Ciska en Petra, geeft haar veel vreugde, het moederschap wil ze koste wat kost perfect doen. Haar dochters zullen nooit liefde en aandacht te kort komen.

Als de meisjes wat ouder zijn, werkt Rie als koffiejuffrouw bij de Kinderbescherming en krijgt vanwege haar talent en intellect gelijk een opleiding aangeboden. Hoewel ze graag wil, bedankt ze voor de eer; haar dochters hebben haar harder nodig. Haar huwelijk sukkelt nog 17 jaar door tot Rie geregeld bezoek krijgt van overbuurjongen Jan Geurts. De twintiger doet vaak klusjes bij haar en de twee vallen als een blok voor elkaar. In het begin ontmoeten ze elkaar bij gezamenlijke kennissen en voetjevrijen wat onder tafel bij het kaarten. Daarna volgen stiekeme uitstapjes naar Arnhem. Rie is 23 jaar ouder dan Jan, dus wanneer hun relatie uitkomt is in beider families het huis te klein.

Als Jan in militaire dienst is schrijven ze elkaar honderden liefdesbrieven en in 1966 verlaat Rie haar man en trekt Jan bij haar in. Na enige jaren is de familie gewend aan het stel en wordt het contact hersteld. De twee dochters accepteren hem wel en Jan houdt van de meiden als zijn eigen dochters. Rie voelt zich voor het eerst veilig en brengt de tweede helft van haar leven door in de zachte omhulling van Jans armen. Samen hebben ze het goed. Jan timmert en schildert wat af, Rie naait, breit, haakt, kookt en tuiniert graag. Ook leert ze alsnog de Franse taal, waar ze zo goed in is dat ze gevraagd wordt een boek te vertalen. Maar Rie kan dat niet meer opbrengen, het moment voor een carrière is voorbij.

Liever reist ze met Jan heel Nederland af met de trein, want een auto hebben ze niet. Ze bezoeken zoveel mogelijk steden en struinen vlooienmarkten af voor haar hobby Delfts Blauw. Nadat Jan een hartinfarct krijgt op zijn vijftigste en afgekeurd wordt, hebben ze alle tijd voor elkaar. In die periode gaat Rie opnieuw op zoek naar haar biologische vader, maar zonder resultaat. Haar eigen gezin betekent alles voor haar, bij narigheid, zoals de scheiding van haar oudste dochter en het overlijden van haar andere schoonzoon, staat Rie altijd klaar om te helpen. Mensen om haar heen verbazen zich weleens hoe zij onder alle omstandigheden vrolijk blijft. Maar die eigenschap heeft haar juist door alle narigheid gesleept. Daarnaast vindt ze dat er vast mensen zijn die het veel slechter hebben getroffen.

Eind 2013 begint Rie vergeetachtig te worden. Ze raakt in de war bij het koken, weet ineens niet meer hoe ze hachee moet klaarmaken. Ook puzzelen lukt niet meer. Ze staat soms uren voor het raam te kijken, zonder te weten waarnaar. Hun roodstaartpapegaai Arie blijft als altijd tegen haar aan babbelen, maar Rie zegt niet veel meer terug. Jan verzorgt zijn geliefde met de grootste toewijding, tot er eind januari een plekje vrij is bij verpleeghuis Terra. Met pijn in zijn hart brengt hij haar weg, wetend dat het niet anders kan. Meteen heeft hij spijt. En als ze twee weken later overlijdt, neemt hij het zichzelf kwalijk. Ook nu had hij Rie willen beschermen.

Maria Frazer werd geboren op 7 juli 1923 in Utrecht, ze overleed op 19 februari 2019 in Nijmegen.

In Trouw (pdf aanklikken):

Rie Frazer.1

Rie Frazer2