Boeken & levensverhalen

‘Rechtvaardigheid is mijn favoriete gerecht’

De zintuigen van auteur Munganyende Hélène Christelle

Munganyende Hélène Christelle (27) wil met haar verhalen jonge, zwarte vrouwen een rolmodel aanreiken. ‘Vooral om te laten zien dat iedereen recht heeft op een doodgewoon leven.’ Ze werkt aan haar debuutroman Vreemd Fruit en won vorige maand de C.C.S. Crone-prijs, een beurs voor beloftevolle auteurs.

Munganyende Hélène Christelle: ‘Ik wil niet opstaan met het gevoel dat ik de wereld bij elkaar moet houden’.Beeld Patrick Post

Ruiken: ‘Geuren vallen samen met herinneringen’

‘Mijn eerste herinnering is de geur van onze keuken in ­Kigali in Rwanda. Op een dag ­waren we op bezoek bij ­familie op het platteland waar op een kampvuur werd gekookt. Ik brandde me daar lelijk aan. Direct smeerde iemand zout op mijn wond, want dat stelpte het bloeden – een grootmoedersmiddeltje. Ik schreeuwde het uit. De geur van dat kampvuur, gecombineerd met de geur van mijn verschroeide huid, valt samen met meer herinneringen. Soms zijn dat verhalen van mijn ouders die ik me heb toegeëigend, die door de jaren heen zo zijn gaan leven dat het ook mijn verhaal is geworden. Ik ben een jaar voor de Rwandese genocide geboren, dus ja: ik ben een oorlogskind, maar dat is meer de feitelijkheid over hoe ik de wereld in ben geslingerd. Het is niet mijn identiteit; die bestaat uit veel meer lagen. Eén laag is inderdaad Afrikaans zijn, maar ik ben ook Europeaan, migratiekind, zwarte vrouw, schrijver.
Het litteken op mijn been, hier kijk maar, is inmiddels minder zichtbaar, maar weg gaat het nooit. Als kind zorgde die brandwond voor flink wat aandacht. Op de ­basisschool vertelde ik de wildste verhalen aan mijn ­Brabantse klasgenoten. Over dat we giraffen in de tuin hadden. Bloemrijke verhalen, daar leefde ik op. Nog steeds, al zijn ze niet langer verzonnen. Best apart ­eigenlijk, want ik hoefde helemaal geen leugentjes te vertellen om een heftig levensverhaal te hebben.”

Horen: ‘Vertellingen brengen werelden samen’

“Mijn realiteit als kind is altijd geweest: opgroeien tussen verschillende werelden. Een myriade, een veelheid van realiteiten van kleur, migratierealiteiten. Toen ik als kleuter met mijn ouders en broers in het azc aankwam, kwam ik direct in een wereld van tegenstellingen terecht. We woonden tussen vluchtelingen uit Irak, ­Bosnië, Afghanistan. Toch waren we als kinderen allemaal hetzelfde, iedereen had het ergste in zijn of haar korte leventje al meegemaakt. Dood, verderf. Een ­Bosnisch buurmeisje zei altijd: ‘Mijn vader is kapot’. Daar moesten we allemaal hard om lachen, zijzelf ook. Zo ­gingen we ermee om dat haar vader dood was. We ­vonden elkaar in de pijn.

“Daarna verhuisden we naar Woensel in Eindhoven waar ik me moest verhouden met mensen uit weer heel andere culturen: daar woonden vooral Surinaamse en Marokkaanse families. In de atlas zocht ik op waar ze ­allemaal vandaan kwamen. Je vindt elkaar dan niet in pijn, maar in schaarste; je hebt weinig, maar wel elkaar. Migrantenkind zijn is ’s avonds de vuilnis buiten zetten en zien dat het licht bij de Irakese overburen nog aan is, ­omdat ze naar het Journaal kijken vanwege bombardementen in hun thuisland. Het is voelen wat zij voelen.

“Het grootste deel van mijn jeugd heb ik doorgebracht in huiskamers die volledig gereconstrueerd waren naar Rwandese kamers. Museale constructies vol waxdoeken, beeldhouwwerken en houten borden aan de muur met ‘Welkom thuis’ en ‘God zegene dit huis’ in het Kinyarwanda. ’s Ochtends opstaan en dan die woorden zien, gaf moed voor de dag. In al die woonkamers luisterde ik naar eindeloze vertellingen van mijn tantes en ­andere familieleden. Ik observeerde de taferelen en in mijn ogen leek het of ze net deden alsof ze nog in Rwanda woonden, samen speelden ze een schouwspel. Al die ­verhalen zitten in mij. Dergelijke vertellingen laat ik nu horen met mijn podcast ‘Fufu&Dadels’, verhalen over de samenkomst van al die werelden.”

Beeld Patrick Post

Kijken: ‘Dat is observeren, absorberen en veel voelen’

“Ik ben een kameleon en zuig alle indrukken in me op. Als ik een ruimte betreed, gaan al mijn zintuigen aan. Kijken is voor mij dan ook niet alleen observeren, maar responsief zijn op alles wat er heerst in een ruimte. Alles absorberen als een spons. Kijken is bij mij sterk gekoppeld aan voelen. Mijn hoogsensitieve kant zorgt ervoor dat ik aan het begin en aan het einde van de dag een ­ritueel inzet om mijn energie te kanaliseren.

“Ik sta iedere ochtend vroeg op – het liefst rond zes uur – en ga op mijn balkon in de zon zitten. Met een kop heet water met citroen en dan heerlijk free writen. Soms ben ik in een half uurtje klaar, op andere dagen zit ik er rustig twee uur. Ook in de winter, met een dikke jas aan. Uit die schrijfsels komen passages voor mijn roman of essays voort: losse gedachten over hoe ik mezelf zie in deze wereld.

“Na een dag vol indrukken moet ik echt ontprikkelen en dat lukt het beste in water, in bad, of nog beter met een stoombad – meteen goed voor mijn haar. Dan probeer ik alles van de dag los te laten. Het liefst zet ik daarbij Oost- of West-Afrikaanse muziek op. Zo creëer ik mijn eigen metawereld. Thuis zijn, me thuisvoelen is een groot thema voor me.”

Voelen: ‘Iedereen verlangt naar een doodgewoon leven’

“Gewoon onder een boom zitten en genieten van zonnestralen, zonder te denken aan institutionele uitsluiting die aan jouw realiteit raakt, is niet voor iedereen weg­gelegd. Of dat nu seksisme, racisme, islamofobie, transfobie of homofobie is. Dat je naar een festival kunt, ­zonder na te denken of je je daar veilig zult voelen. ­Zonder gedachten als: hoor ik hier wel? Word ik wel gezien of gehoord? Op zo’n doodgewoon leven heeft iedereen recht. Ik schrijf daar in mijn vertellingen graag over. Verhalen die troost bieden en die gaan over een zwarte vrouw met zo’n normaal leven.

“Hoewel ik me direct realiseer dat ik de luxe en het privilege bezit, die miljoenen anderen niet hebben; bijvoorbeeld door naar een podcast te luisteren van een zwarte vrouw die haar verhaal vertelt. Verhalen over ­biseksueel, zwart en vrouw zijn. Het is dan alsof zij met haar stem, met haar verhaal mijn hart raakt. Door haar verhaal mag ik bestaan, ongeacht wat anderen van mij denken.

“Felle, negatieve reacties op mijn verhalen, dat is niet altijd wat ik wil horen. Dat heeft met het politieke klimaat in Nederland te maken. Van jongs af aan is mijn wereld al politiek geladen, dat kan ook niet anders als kind van politieke vluchtelingen. Mijn ouders zijn ­denkers, ze zijn politiek geëngageerd en hebben een denkertje op de wereld gezet. Ik was me al jong bewust dat er bepaalde regels bestaan voor mensen zoals ik. Om het goed te doen moet ik me bewegen tussen die regels óf ik moet een manier vinden om die regels omver te werpen. Steeds daartussen navigeren en je eigen afweging maken kan als een dagtaak voelen.

“Ik wil niet iedere ochtend opstaan met het gevoel dat ik de wereld bij elkaar moet houden. Als zwarte vrouw voel ik dat wel sterk en kan het me soms echt overvloeden. Maar daarin zit tegelijk de kern van mijn schrijverschap. Mij uitspreken tegen het feit dat kennelijk niet iedereen recht heeft op een doodgewoon leven is mijn grootste drijfveer.”

Intuïtie: ‘Jonge, zwarte vrouwen hebben lef nodig’

“Ik heb niet de illusie dat ik als millennial van 27 in mijn eentje de wereld kan veranderen. Maar ik hoop wel ­jonge, zwarte vrouwen een rolmodel aan te reiken. Als kind las ik ontzettend veel, maar in al die boeken zag ik mezelf nooit gereflecteerd. Vaak werd mijn aandacht ­getrokken naar personages die op mij leken. Dat waren meestal antagonisten: de beste vriend van de hoofd­persoon, nooit de hoofdpersoon zelf. Meestal was het ronduit de slechterik. Het viel me op dat personages van kleur vaak expliciet werden beschreven aan de hand van hun huidskleur, de structuur van hun haar en uitge­sproken tongval of het was zelfs een karikatuur. Geen volwaardige personages. En dat is wat je wel wilt lezen: dat je het idee hebt dat jij als volwaardig mens in die ­wereld mag bestaan. Intuïtief voelde ik dat het niet klopte. Door dat gemis werd ik meester in het inleven in andermans narratieven. Ontdek dan maar eens je eigen ik-kracht. Daar is lef voor nodig.

“In mijn debuutroman Vreemd Fruit streef ik ernaar jonge vrouwen die opgroeien met eenzelfde complexe migratiegeschiedenis als de mijne een stem te geven. Jongeren die moeten leren bewegen tussen ontheemding en thuiskomst. De afgelopen jaren ontdekte ik een soort onbeschroomde eigenheid, die ik nu onverbloemd omarm. Juist door de ander te zijn. Het is precies dat ­tikkeltje doordraafde eigenzinnigheid dat mij het lef geeft om straks te debuteren.”

Proeven: ‘Rechtvaardigheid is geen taart’

“Toen deze zomer de eerste manifestatie voor Black Lives Matter op de Dam gaande was, zat ik een portie kibbeling te eten. Ik was op kampeervakantie en dacht: ‘Ik sta hier kibbeling te eten, terwijl de wereld vergaat’. Ik voelde zo sterk: die wereld mag niet vergaan. Intense boosheid borrelde op en verdween niet meer. De Amerikaanse zwarte feministe dr. Brittney Cooper noemt dat ‘eloquente woede’. Ik vind haar zienswijze interessant, omdat je inderdaad welsprekende woede kunt omzetten in een constructieve storm. Dat is exact wat nu wereldwijd gebeurt: een krachtenveld van mensen die de wereld beter willen maken. Die willen vernieuwen op een manier dat die wereld een eerlijke weerspiegeling is van ieders leven – ook de mijne.

“Met mijn vlijmscherpe verhalen probeer ik in elk geval meer rechtvaardigheid te krijgen. Want, en dat is geen citaat van mij, maar ik vind hem wel prachtig: ‘Meer rechten voor anderen, betekent niet minder ­rechten voor jou. Rechtvaardigheid is geen taart’. Ik heb deze zomer wel de smaak van rechtvaardigheid geproefd en die smaakt naar meer. Sterker nog: het is mijn nieuwe favoriete gerecht.”

Beloftevolle debutant

Munganyende ­­Hélène Christelle (1993) is een politiek geëngageerd ­auteur, sociaal cultureel commentator en publicist. Ze is geboren in Kigali (Rwanda) en vluchtte als vijfjarige met haar ouders en broers naar Nederland.Ze groeide op in Woensel in Eind­hoven, studeerde politicologie en hield twee jaar geleden de TedX-talk ‘Afropean’ over haar identiteit. Ze was fellow bij het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds en is hoofdredacteur van het crossmediale ­feministische platform Fufu&Dadels. In haar verhalen ­vertelt ze over zwart-zijn, vrouw-wording en thuiskomen: daarover ontwikkelt ze op dit moment het vak ‘Beyonce­ology’ voor studenten creative writing aan de ArtEZ ­Hogeschool voor de Kunsten in Zwolle. Vorige maand ­ontving zij de C.C.S. Crone-prijs voor beloftevolle ­debu­terend auteurs. De jury zegt over haar: ‘De beschrijvingslust spat van de pagina’s.’ Haar debuut Vreemd Fruit verschijnt in 2021 bij Uitgeverij Pluim.

Alle kleine herdenkingen werden zo één grote

Vandaag met Allerzielen staan veel nabestaanden stil bij het verlies van hun geliefde. Alleen zijn alle geplande herdenkingsbijeenkomsten opnieuw afgezegd. Groots afscheid blijft onmogelijk. Toch hebben die verstilde, intieme uitvaarten ook mooie kanten. Rouwen gaat weer over in verbinding zijn met elkaar.

In de fotolijst: Hiekelien Tess van den Herik. Beeld Ilse van Kraaij

In potlood staat het nog in hun agenda: ‘Herdenking Hiekelien Tess’. Op 18 november, haar geboortedag. De dag dat ze 38 jaar zou zijn geworden. De Utrechtse Hiekelien Tess van den Herik overleed op 26 maart aan de gevolgen van borstkanker. Ze wist dat ze zou sterven en maakte een zorgvuldig draaiboek voor haar uitvaart. Omdat het land net in intelligente lockdown zat, kon haar familie die wensen niet vervullen. Alle regels waren nog vers en vooral streng. De ruimte die ze in gedachte had voor het afscheid bleek niet toereikend voor alle genodigden, waarop werd besloten dat het afscheid thuis in heel kleine kring van haar familie en vrienden plaats zou vinden.
Een livestream paste niet erg bij Hiekelien, die een bijzondere en bewuste kijk op het leven had. Ze schreef theaterstukken en gedichten, werkte voor Greenpeace, was lid van een schrijfclubje en zong graag. Om haar heen had ze een kring van hechte vrienden verzameld. Haar ouders, Dullyna van der Weit (67) en Leen van den Herik (68) vonden het afscheid passend. “Klein, verstild en CO2-neutraal, zoals Hiekelien wenste. Voor ons waren de dagen rond haar sterven zeer intiem en warm. Daar zijn we heel dankbaar voor. Het leverde bijzondere gesprekken op met haar vrienden en collega’s. We hoorden verhalen die we nog niet kenden. Daar teren we nog steeds op”, vertelt haar moeder aan de keukentafel in Gorinchem.

Beeld Ilse van Kraaij

Toch blijft hun verlangen naar een herdenking in iets grotere kring sluimeren. “Om met iedereen stil te staan bij haar leven, om haar nog eens te laten verschijnen in alle verhalen.” Vader Leen: “Iedere keer maken we een plannetje in ons hoofd, maar dan komen er weer nieuwe maatregelen. Het is één groot proces van aanpassen.” Ondanks dat ervaren ze deze periode ook als een warme deken. “Doordat de hele wereld een beetje stilstond en niet meteen doordenderde, was er alle ruimte en tijd om ons aandacht te geven. Misschien hadden we dat niet zoveel gekregen zonder corona.” Dullyna knikt: “Mensen sturen zulke prachtige, persoonlijke brieven. En op gepaste afstand hebben we veel bezoek ontvangen. Wat dat betreft is corona ook een beetje een ‘cadeautje’: we ervaren veel ruimte om in alle rust verdrietig te zijn.”

Geen nazit met bier en bitterballen

Die ervaring hebben ook de nabestaanden van Pim Thielemans uit Veghel. Zijn vrouw Annelies Thielemans (74) ontvangt nog wekelijks bezoek, kaartjes of bloemen. Van de week kreeg ze nog brownies met de post. “Het lijkt wel”, zegt dochter Thiery (47), “alsof mensen langer met ons verlies bezig zijn, omdat ze zelf niet echt afscheid van papa hebben kunnen nemen. Zij zagen geen kist, zij waren niet bij het afscheid, dit is hun manier van verwerken denk ik.”

Beeld Ilse van Kraaij

De voormalige verffabriekdirecteur overleed op 29 maart aan een herseninfarct. Hij was 77 jaar, nooit ziek geweest en ging vorig jaar nog met zijn vrouw backpacken met een rugzakje met 7 kilo inhoud. “Mijn man was erg geliefd en sociaal, hij zat in veel clubjes, zoals bridge en de Rotary, en hij hielp waar hij kon. De dag voor zijn overlijden stond hij nog worstenbroodjes te bakken voor mensen die we extra aandacht wilden geven.” Aanvankelijk wilden ze een groots afscheid. “Pim verdiende een bomvol crematorium met een nazit met bier en bitterballen. Maar er kon niets, dus hebben we in piepkleine kring afscheid van hem genomen, alleen met de kinderen en kleinkinderen. Via de livestream keken vrienden en familie mee.”

Horizon niet in zicht

En zo verging het vele duizenden mensen die het afgelopen jaar een geliefde verloren. Wanneer de overledene aan corona stierf, was er soms niet eens de mogelijkheid tot afscheid nemen. Voor allen gold: een kleine uitvaart met maximaal dertig genodigden en op anderhalve meter afstand van elkaar. Mariëlle Terstegen van Nunazorg, een organisatie die nabestaanden bijstaat, hoorde in het begin vaak: ‘Straks staan we er nog eens goed bij stil’. “Maar nu de horizon van het einde van corona nog steeds niet in zicht is, hoor ik dat weinig meer. Mensen willen iets organiseren rond een verjaardag of trouwdag, maar de realiteit is steeds dat het niet kan. Ik weet dat mensen dit najaar, en zeker vandaag, op verschillende plekken herdenkingsbijeenkomsten wilden organiseren en die zijn allemaal afgezegd of omgezet naar een digitale vorm. Zo blijf je toeleven naar iets wat niet komt. Dat is moeilijk.”

In uitvaartkringen heet dit een ‘uitgestelde herdenking’. “Toevallig had ik vorige maand één herdenkingsdienst van een familie die hun afscheid in die heel strakke lockdown over wilde doen, maar dan uitgebreider”, vertelt Ton Claassen van Claassen Uitvaartzorg in Veghel. “Maar dat is ook echt de enige in al die maanden.” Ook Nadia Najib, uitvaartbegeleider van coöperatie Dela, kan ze op één hand tellen: “Onlangs bereidde ik er een voor, die was voor een weduwe die echt nog een afscheidsdienst wenste in de aula. Met de urn in het midden. Zij had het gevoel dat het nog niet af was. Daarna hebben ze met elkaar de as uitgestrooid.”

Uitvaartondernemers zien nog wel dat mensen met het ophalen van de as of het plaatsen van de steen een extra herdenking doen. Maar het blijft kleinschalig. Bij de meeste nabestaanden zakt de wens naar zo’n grootse herdenking na verloop van tijd weg. “In het begin hadden mensen het gevoel dat wanneer ze de uitvaart niet groots konden vormgeven – met iedereen erbij – dat het dan geen volwaardig afscheid was”, vertelt Najib. Inmiddels ervaren mensen dat niet meer zo en zien ze ook de mooie kanten van het kleine karakter. “Je creëert een huiskamersfeer en de intimiteit is groot. Alles is sneller informeel, mensen zijn minder gespannen. Er ontstaat een sfeer waarin mensen geen sociale druk voelen en zichzelf kunnen zijn met hun verdriet.”

Zonder poespas

De terugkeer van die kleine uitvaart, zonder poespas, wordt alom gewaardeerd. Uitvaartondernemer Claassen: “De intimiteit zorgt ervoor dat mensen gemakkelijker hun woordje uitspreken, juist omdat ze niet voor een bomvolle kerk of aula staan. Ook merken we dat mensen vaker het woord nemen, terwijl ze dat normaliter niet zouden doen. Iemand staat gewoon te spreken voor de eigen familie van hooguit dertig mensen en dan merk je zo’n livestream helemaal niet op.”

Volgens rouwdeskundige Riet Fiddelaers-Jaspers van Expertisecentrum Omgaan met Verlies uit Heeze hoeft een ander afscheid dan gedacht gezond rouwen niet in de weg te staan. “Natuurlijk zijn mensen aanvankelijk teleurgesteld. Maar als je beseft dat dit het moment is om de herdenking zo goed mogelijk vorm te geven en in de ‘wat kan wel’-modus komt, is er veel mogelijk. Ondanks alle beperkingen die er op dat moment gelden. Dat heeft ontzettend veel waarde en kan niemand je afnemen.”

De intimiteit zorgt juist voor meer verbinding tussen verwanten, merkt Fiddelaers. Zij verwacht dan ook niet dat de beperkende omstandigheden een rouwstoornis hoeven te veroorzaken: “Het wordt pas een probleem als je in boosheid of verdriet terechtkomt, omdat je het gevoel hebt dat je de wens van de overledene niet hebt kunnen waarmaken. Daar kunnen mensen wel in verstrikt raken.”

Daarom raadt zij nabestaanden aan om er een ritueelbegeleider bij te betrekken die meedenkt. Zeker als binnen families sterk wordt vastgehouden aan tradities of rituelen. “Ik zie dat wel terug bij niet-westerse families die soms moeite hebben om bepaalde rituelen zoals zang en dans met veel mensen los te laten. Omdat dat echt onderdeel van het afscheidsritueel is. Dan is het handig om iemand uit de eigen groep te vragen mee te sparren over hoe het ook anders kan, zodat het toch klopt voor de familie en er rust komt in de ziel.”

Meer inhoud dan vorm

Kleine uitvaarten brengen nabestaanden weer terug naar de kern van afscheid nemen, merkt de rouwdeskundige. “Eerlijk gezegd werden er voor corona soms zulke grote en meeslepende vieringen gehouden. Het kon niet op. Meer vorm dan inhoud. Nu zie ik dat mensen juist goed bij hun gevoel blijven, doordat het zo persoonlijk is. Niemand kijkt hun bij het moment van afscheid nemen op de vingers. Sommigen kiezen zelfs niet meer voor een livestream: de meest intieme kring is voldoende.” Ze denkt dat deze ontwikkeling ook na corona zal doorzetten.

Dat verwacht de uitvaartbranche ook. Woordvoerders van uitvaartverzekeraar Dela en uitvaartverzorger Monuta laten weten dat er de afgelopen maanden veel creativiteit loskwam. Condoleren heeft meer aandacht gekregen. En behalve livestreams zijn er drive through– en walk through-uitvaarten bijgekomen, waarbij mensen in- en uitrijden of -lopen om zo hun respect aan de overledene te tonen. Tot slot is de erehaag uit de mottenballen gehaald, die door nabestaanden zeer gewaardeerd wordt.

De familie van Pim Thielemans zal die erehaag inderdaad nooit meer vergeten. “Eerst werd de rouwauto door een flink aantal auto’s gevolgd naar het uitvaartcentrum. Niemand ging mee naar binnen, maar ze bekeken de livestream op hun telefoon of laptop in de auto. Na de dienst kwamen we naar buiten en stonden al die mensen prachtig aangekleed in een erehaag voor papa te klappen”, vertelt dochter Wendy (51). “Dat was zo indrukwekkend.”

Lijfelijk contact missen

Het enige dat ze wel echt gemist hebben, is lijfelijk contact. Vanwege gevaar voor Covid-19 duurde het weken tot de kinderen hun moeder weer durfden te omhelzen. Dochter Wendy bedacht een stokje met een rood hart aan het uiteinde. Zo konden ze de hartjes tegen elkaar houden als surrogaatknuffel tijdens de uitvaart: “Toen we elkaar met Moederdag weer durfden te knuffelen, vloeiden de tranen. Dat voelde zo anders.” Als iemand je vasthoudt, word je even letterlijk gedragen en draag je het verdriet niet meer alleen, verheldert Terstegen van Nunazorg. “Een weduwe vertelde me: ‘er is nu helemaal niemand meer die me aanraakt’. Dat vond ik heel verdrietig.”

De familie Thielemans blikt al met al met voldoening terug. “Ik heb honderden kaarten ontvangen en voel me echt gesteund in mijn verdriet”, zegt Annelies Thielemans. “Ik mis Pim iedere dag, maar ik heb een leven vol mooie herinneringen om op te leunen.” En voor haar hoeft die grote herdenking eerlijk gezegd niet meer. “We moeten ook verder.” Zo denken de ouders van Hiekelien er inmiddels ook over. “In ons gezin is een gat geslagen, daar moeten wij mee verder. De voortgaande contacten met haar vriendinnen en vrienden helpen daar enorm bij”, vertelt haar moeder.

Op hun keukentafel ligt een prachtig boekje met gedichten en gedachtenissen van Hiekeliens collega’s. “We hebben de afgelopen maanden zoveel kleine afscheidsmomenten gekend middels brieven, kaarten en gesprekken”, zegt Van den Herik. “Als je het zo bekijkt, zijn al die kleine momenten één grote herdenking van onze dochter geweest.” En binnenkort komt er een herdenkingsbankje op landgoed Amelisweerd, waar Hiekelien graag kwam. Met de eerste regel van haar gedicht: ‘Ik wil een storm met jouw naam …’. “Hebben we toch een plekje om naartoe te gaan.”

De coronaperiode inspireerde rouwdeskundige Riet Fiddelaers-Jaspers tot het schrijven van het boek ‘Natriltijd’ over hoe je te herpakken na een periode van afscheid en verlies in tijden van storm en tegenslag. ‘Natriltijd’, Circle Publishing, € 12,50.

Naschriften 2020

In 2020 schreef ik voor Dagblad Trouw ettelijke Naschriften. Verhalen van mensen die onlangs zijn overleden en die inspireren en motiveren om iets van je eigen leven te maken. Hier een selectie uit de diverse artikelen






Van de ov-fiets tot een houten wolkenkrabber, de gedreven Boukje leefde om te creërenVan de ov-fiets tot een houten wolkenkrabber, de gedreven Boukje leefde om te creëren

Variété zat bij Ton Ramaker (1942-2020) in zijn bloedVariété zat bij Ton Ramaker (1942-2020) in zijn bloed


Theatermaker Margot de Jong (1949-2020) sprak mensen aan op wat ze kunnen, niet op wie ze zijnTheatermaker Margot de Jong (1949-2020) sprak mensen aan op wat ze kunnen, niet op wie ze zijn



Bestelde je kreeft bij Lucas Rive (1962-2019), dan kreeg je ook echt kreeft op je bordBestelde je kreeft bij Lucas Rive (1962-2019), dan kreeg je ook echt kreeft op je bord

‘Je inzetten voor natuur en milieu houd je alleen vol met motivatie vanuit het evangelie’Milieukundige Martine Vonk: ‘Je inzetten voor natuur en milieu houd je alleen vol met motivatie vanuit het evangelie’

Elske (1988-2019) kocht voor haar geliefden alvast een stapel boeken over rouwenElske (1988-2019) kocht voor haar geliefden alvast een stapel boeken over rouwen

Naschrift: Nelleke Wuurman was de hoedster van Overvecht

Nelleke kende iedereen en iedereen kende Nelleke. Ze zette zich fulltime als vrijwilliger in om de Utrechtse wijk Overvecht leefbaarder te maken.

Als Nelleke Wuurman iets in haar hoofd had, zat het nergens anders. Pittig en daadkrachtig zorgde ze ervoor dat de Utrechtse ‘krachtwijk’ Overvecht leefbaarder werd. De oud-onderwijzeres was actief in diverse wijkraden en buurtoverleggen en was twaalf jaar Statenlid voor de Partij van de Arbeid. Zij kon als geen ander op haar welbespraakte manier tegenstanders overtuigen van haar argumenten, en haalde alles uit de kast om haar zin te krijgen. Haar wijkwerk was haar leven.

De buurtkinderen noemden Nelleke altijd ‘de baas van de wijk’. Op haar uitvaart werd ze ook de ‘hoedster van Overvecht’ genoemd. Die titel paste haar: zij behoedde de wijk voor verloedering en knokte ervoor dat bewoners op een positieve manier met elkaar in verbinding bleven. Zelf deed ze dat door flyers over een door haar georganiseerd event bij iedereen persoonlijk af te geven. En als er een negatief artikel over haar wijk in de krant verscheen, belde ze de journalist stantepede op. Zij vond dat haar wijk beter verdiende. Hoe ze dat deed liet ze vorig jaar zien in het tv-programma ‘Typisch Overvecht’ waarin ze optrad.

Nelleke had haar hart verpand aan die multiculturele wijk met de nodige problematiek. Wanneer familie haar weleens aanspoorde naar een wat betere buurt te verhuizen, wilde ze daar niets van weten. ‘Ik vind het veel te gezellig tussen al die vreemde vogels’, antwoordde ze dan. Ze was warmhartig, betrokken en oordeelde niet snel. Bang was ze ook niet. Vaak genoeg trof ze na haar avondvergaderingen hangjongeren aan voor haar deur, maar ze keek hen altijd recht aan en als ze rottigheid uithaalden ging ze erop af. Iedereen had ontzag voor de 79-jarige buurtbewoner.

Nelly Catharina Wuurman werd geboren op 17 februari 1940 in Amsterdam als oudste dochter van metaalbewerker Cornelis Wuurman en coupeuse Cor Wolvers. Haar ouders werkten beiden veel en hard. Nelleke, haar zusje Cor en broertje Kees waren al jong zelfstandig. Ze speelden hele dagen spelen op straat, gingen vaak naar Artis, waar ze via de Plantage Doklaan naar binnenglipten. ’s Avonds mochten ze niet verder dan de leeuwenkop op de brug bij het Tehuis voor Ouden van Dagen, het huidige Sarphatihuis. Nelleke was de serieuze van het drietal, de verantwoordelijke. Die rol pakte ze steviger op toen onverwachts haar moeder overleed. De kinderen wisten niet eens dat ze ziek was toen een tante hen in de keuken vertelde dat moeder dood was.

Zonder dat iemand het haar vroeg nam ze de moederrol over: koken, wassen, strijken en ze stuurde Kees en Cor op tijd naar school. Dat moest, maar stoppen met de middelbare meisjesschool wilde ze niet. Ze was toen net 16. Haar vader draaide intussen dubbele diensten om Nelleke te laten studeren. Ze stelde haar vader niet teleur en haalde in twee jaar tijd haar diploma voor de kweekschool en stond als 19-jarige voor de klas.

Ze bleef nog jaren thuis wonen tot ze een vacature zag bij een Nederlandse school in het Duitse Handorf. Ze hield wel van een uitdaging en ging lesgeven aan de kinderen van daar gelegerde Nederlandse militairen. Ze ontmoette er Roel Heskamp, die bij de luchtmacht werkte. De twee verschilden zo van elkaar dat ze elkaar mooi aanvulden; wanneer Nelleke te extreem doordraafde, trapte hij op de rem. Ze trouwden in 1971. Ook in haar relatie schuwde ze de confrontatie niet. Vooral over politieke kwesties konden ze pittig discussiëren: Roel met zijn standpunten als D66’er en zij met die van de PvdA. ‘Zijn stimulerende manier van praten hielp mijn persoonlijkheid te vormen’, zei ze later. Het stel kreeg geen kinderen, maar dat ervaarde ze niet als gemis. ‘Ik heb elke dag al veertig kinderen in mijn klas’, zei ze luchtig.

Op een ochtend in 1986, ze woonden inmiddels alweer jaren in Utrecht Overvecht, vertrokken ze beiden naar hun werk. Tot zij een telefoontje kreeg: Roel had een hartstilstand gekregen. Ze was helemaal van de kaart, ze hadden nog zoveel plannen samen. Haar zus Cor bood aan te blijven slapen, maar na een paar nachten stuurde ze haar naar huis. Een paar dagen na de begrafenis stond ze weer voor de klas. Net als na haar moeders overlijden beet ze zich vast in allerlei activiteiten, om maar niet alleen thuis te zitten. Na Roel kwam er nooit meer een andere man in haar leven. Want, zo zei ze: ‘Zo eentje bestaat niet meer.’

 

De laatste twintig jaar van haar carrière werkte Nelleke op de toenmalige Mahatma Gandhischool, eerst als lerares, later als adjunct-directeur. Dolgraag had ze directeur willen worden toen de school fuseerde met een andere school uit de wijk, maar de keuze viel op een jongere concurrent en dat stak haar. De lol was er voor haar af. Ze was toen al een paar jaar statenlid voor de PvdA en stopte al haar energie daarin. Ze streed voor een groene en milieuvriendelijke provincie, en kwam op voor de positie van vrouwen: ze was een echte ‘rooie vrouw’.

Nelleke was oprecht verontwaardigd over zaken die in naar ogen de verkeerde kant op gingen. Zoals de verplaatsing van de prostituees van het Zandpad naar een andere locatie in Overvecht. Ze protesteerde hevig, niet alleen omdat ze vond dat die vrouwen een eerbaarder beroep verdienden, maar ook omdat ze niet wilde dat haar wijk als afvoerputje van de stad werd gebruikt. Haar heldere, luide stem klonk bij die verhitte vergaderingen boven alles uit.

Na haar prepensioen nam ze nog meer vrijwilligerswerk aan. Ze had er veel lol in. Ze vond het fijn ergens een stem in te hebben en genoot van haar positie in de wijk. Ze werd erkend en gezien. Dat ze later geridderd werd en de Speld van de Stad Utrecht ontving, zag ze als waardering voor al haar inzet. Onderwerpen waar ze zich hard voor maakte waren welzijn, gezondheid, onderwijs en ruimtelijke ordening. Voor mensen met een beperking en ouderen zette ze zich extra in, ze verzette zich tegen het stigma dat zij zielig of hulpbehoevend waren. Ze was actief voor ouderenorganisaties ANBO en COSBO en gaf zelf graag het goede voorbeeld door als zeventiger nog actief en vitaal te zijn.

Nelleke kende altijd alle dossiers van binnen en buiten en haar kantoor, in een van haar slaapkamers, stonden kasten vol dossiermappen. Ze beheerde zeer punctueel haar eigen wijkarchief. In een andere slaapkamer richtte ze een bibliotheek in met wel vierduizend boeken. Ze las graag en was trouw lid van een leesclub. Ze had altijd als eerste het boek uit en verzuimde nooit.

Omdat haar vrijwilligerswerk zoveel tijd opeiste, nam ze alle schoolvakanties vrij. Dan trok ze erop uit. Meestal alleen. Om de accu op te laden. Naar haar lievelingsstad Parijs ging ze zeker twee keer per jaar. Daar kocht ze graag mooie kleding en struinde ze eindeloos door Franse musea, ze verveelde zich er nooit. Een andere hobby was het verzamelen van kattenbeeldjes en -schilderijen; ze had een Corneille met een kat aan de muur hangen. Ze was een echte poezengek: haar eigen poezen waren haar alles, ze had er geregeld een stuk of vijf in huis. Zoals poes Sara, die ze omschreef als intelligent en origineel. Tegen Sara sprak ze altijd Frans. Zij begrepen elkaar volledig en ze sprak over haar als een geliefde huisgenoot. Toen Sara vorig jaar onverwacht overleed, raakte ze in diepe rouw. Ze ging kijken in het asiel voor een nieuwe poes, maar het werden uiteindelijk twee babypoesjes, waar ze eindeloos mee in de weer was.

Nelleke kende zichzelf goed, ze was zelfverzekerd en nam nooit een blad voor de mond. Ze wist dat ze een pittige tante was en was daar trots op. Van doetjes hield ze niet. Als mensen haar tegenwerkten, raakte haar dat wel. Toen ze eens per ongeluk een mail ontving die zeer kritisch was over haar doortastende optreden, aarzelde ze geen moment en stapte acuut op bij die club. Ze kon ook wat ongenaakbaar zijn, deelde niet snel iets persoonlijks. Met de mensen in de wijkcomités was het contact best zakelijk, al sprak ze ook eens de wens uit om elkaar wat beter te leren kennen. Eind februari viel ze van de trap en verscheen die avond voor het eerst niet op haar boekenclub. Haar buren zagen de hele nacht licht branden en waarschuwden de familie. Haar agenda stond nog bomvol afspraken, ze had nog zoveel plannen. Overvecht weet niet goed hoe het nu verder moet zonder Nelleke.

Nelly Catharina Wuurman werd geboren op 17 februari 1940 en overleed op 26 februari 2019.

In Trouw: zie hier de pdf

Nelleke Wuurman

Nelleke Wuurman2

Naschrift: Pas laat in haar leven vond Rie geluk

Rie Frazers leven zit vol tegenslag en geweld. Tot ze verliefd wordt op haar 23 jaar jongere buurjongen, pas dan voelt ze zich veilig.  

Rie Frazer had op heldere momenten soms in de gaten, dat er iets niet klopte in haar hoofd. Vlak voor kerst sprak ze het nog uit, toen ze even ging rusten ’s middags. Als er nu maar een pilletje bestond waardoor ze er samen tussenuit konden knijpen, vertrouwde ze haar geliefde toe. Door haar vasculaire dementie waande ze zich geregeld in vroeger tijden. En dat waren nu juist de jaren waar ze liever niet aan dacht. De erbarmelijke omstandigheden waarin ze opgroeide had ze bewust achter zich gelaten. Ze keek liever naar de positieve kanten van haar leven. Rie kon als geen ander genieten van kleine dingen, zoals haar tuintje volhangen met kleurrijke bloeiers, haar kamer opvrolijken met sierlijk gehaakte kleden of lekker koken voor haar drie kleinszoons die al zestien jaar lang iedere woensdagavond bij haar kwamen eten.

In 1923 wordt Rie onder een ongelukkig gesternte geboren. Haar moeder, Francina Bisschop, is een vrouw van lichte zeden die op haar twintigste wegloopt van huis. In een tehuis voor ongehuwde moeders in Utrecht bevalt ze van Maria (Rie), die enig kind blijft. Rie weet niet of de man met wie haar moeder daarna gaat samenwonen haar vader is. Haar moeder noemt haar altijd ‘dat jonk van die zwerver’, en wanneer kinderen op school vragen wie nu toch haar vader is, weet ze nooit goed wat ze moet zeggen. Ze noemt steeds andere namen en krijgt de bijnaam ‘Marietje Lampescherf’. Rie blijft haar hele leven zoeken naar haar vader.

In huize Bisschop is het een komen en gaan van mannen en Rie is vaak getuige van ruzies. Zelf krijgt ze ook geregeld om haar oren. Haar dominante moeder wil haar vooral weg hebben en stuurt haar naar opa en oma in Nijmegen, daar geniet ze, Rie is dol op haar opoe. Haar moeder klaagt ook eens bij de huisarts dat Rie zo mager is, zodat hij haar naar een kinderkolonie stuurt. Rie vindt het er vreselijk en noemt de nonnen ‘krengen van barmhartigheid’.

Uiteindelijk is er één man die blijft, Daan Frazer, met wie haar moeder in 1930 trouwt en die haar erkent als zijn wettige kind. Helaas ontpopt haar stiefvader zich niet als de liefhebbende vader waar ze van droomt; ook van hem krijgt ze slaag. Alleen op school is Rie gelukkig is; ze vindt het er geweldig en kan uitstekend leren. Ze slaat zelfs een klas over, mag Frans en Engels leren en krijgt gratis pianoles. Maar haar jaloerse moeder steekt daar een stokje voor en dwingt haar te gaan werken in een pension. Ze is dan twaalf jaar. De eigenaars van het pension waarderen de hardwerkende Rie en bieden haar een baan aan in hun grotere hotel waar ze kan doorleren, maar zodra moeder er lucht van krijgt, moet Rie ergens anders aan de slag. Al is Rie niet op haar mondje gevallen, inmiddels weet ze dat haar moeder tegenspreken veel slaag oplevert.

Rie mag wel op toneel bij ‘de Haard’, waar ze het gezellig heeft en vriendinnen vindt. Geweldig vindt ze het om even te verdwijnen in een andere rol. Ook bezoekt ze de ‘Zusters van Hallo’, waar ze leert handwerken en zingen en soms soep meekrijgt voor thuis. Vanaf haar zestiende werkt ze bij de Nederlandse Export Papierfabriek waar ze goed kan opschieten met haar collega’s. Regelmatig hebben die door dat Rie het thuis zwaar heeft, niet alleen omdat ze na haar werkdag nog strijk- en poetswerk moet doen, maar ook omdat ze eens met een blauw oog op het werk verschijnt – na een klap met de strooppot. Een van haar bazen biedt aan haar op te nemen in zijn eigen gezin, maar Rie bedankt. Ze weet dat het de ellende alleen maar zal vergroten. Als ze een jaar of twintig is, is ineens de maat vol. Als haar stiefvader haar voor de zoveelste keer achterna zit, rent ze net zo lang rondjes om de tafel tot hij uitgeput raakt. Ze grijpt de bloempot met een clivia uit de vensterbank en schreeuwt: “Als je me nog één keer aanraakt, vermoord ik je.” Over haar moeder zei ze later: “Die leugenaar had nooit een kind mogen krijgen.”

In de oorlogsjaren werkt Rie gewoon door, ook als de fabriek wordt overgenomen door de Duitsers. Ze is blij dat ze werk heeft. Wel let ze op dat ze niet met Duitsers gezien wordt. Vlak voor het bombardement van 1944 schuilt ze met collega’s in de kelder voor de Amerikaanse bommenwerpers. En net als het sein veilig is gegeven en ze weer aan het werk wil, ziet ze de vliegtuigen terugkeren en de bommen op de Nijmeegse binnenstad vallen. De kelder van de fabriek wordt gebruikt om de dode lichamen te bergen; beelden die ze nooit meer van haar netvlies krijgt.

In de fabriek leert ze Gerard Geutjes kennen, een boerenzoon die haar vlijt en inpalmt. Door hem te huwen hoopt ze aan haar misère te ontsnappen. Maar ook Gerard kan zijn handen niet thuishouden en ze raakt van de regen in de drup. Ze stopt met werken en richt zich op het huishouden. De komst van haar twee dochters, Ciska en Petra, geeft haar veel vreugde, het moederschap wil ze koste wat kost perfect doen. Haar dochters zullen nooit liefde en aandacht te kort komen.

Als de meisjes wat ouder zijn, werkt Rie als koffiejuffrouw bij de Kinderbescherming en krijgt vanwege haar talent en intellect gelijk een opleiding aangeboden. Hoewel ze graag wil, bedankt ze voor de eer; haar dochters hebben haar harder nodig. Haar huwelijk sukkelt nog 17 jaar door tot Rie geregeld bezoek krijgt van overbuurjongen Jan Geurts. De twintiger doet vaak klusjes bij haar en de twee vallen als een blok voor elkaar. In het begin ontmoeten ze elkaar bij gezamenlijke kennissen en voetjevrijen wat onder tafel bij het kaarten. Daarna volgen stiekeme uitstapjes naar Arnhem. Rie is 23 jaar ouder dan Jan, dus wanneer hun relatie uitkomt is in beider families het huis te klein.

Als Jan in militaire dienst is schrijven ze elkaar honderden liefdesbrieven en in 1966 verlaat Rie haar man en trekt Jan bij haar in. Na enige jaren is de familie gewend aan het stel en wordt het contact hersteld. De twee dochters accepteren hem wel en Jan houdt van de meiden als zijn eigen dochters. Rie voelt zich voor het eerst veilig en brengt de tweede helft van haar leven door in de zachte omhulling van Jans armen. Samen hebben ze het goed. Jan timmert en schildert wat af, Rie naait, breit, haakt, kookt en tuiniert graag. Ook leert ze alsnog de Franse taal, waar ze zo goed in is dat ze gevraagd wordt een boek te vertalen. Maar Rie kan dat niet meer opbrengen, het moment voor een carrière is voorbij.

Liever reist ze met Jan heel Nederland af met de trein, want een auto hebben ze niet. Ze bezoeken zoveel mogelijk steden en struinen vlooienmarkten af voor haar hobby Delfts Blauw. Nadat Jan een hartinfarct krijgt op zijn vijftigste en afgekeurd wordt, hebben ze alle tijd voor elkaar. In die periode gaat Rie opnieuw op zoek naar haar biologische vader, maar zonder resultaat. Haar eigen gezin betekent alles voor haar, bij narigheid, zoals de scheiding van haar oudste dochter en het overlijden van haar andere schoonzoon, staat Rie altijd klaar om te helpen. Mensen om haar heen verbazen zich weleens hoe zij onder alle omstandigheden vrolijk blijft. Maar die eigenschap heeft haar juist door alle narigheid gesleept. Daarnaast vindt ze dat er vast mensen zijn die het veel slechter hebben getroffen.

Eind 2013 begint Rie vergeetachtig te worden. Ze raakt in de war bij het koken, weet ineens niet meer hoe ze hachee moet klaarmaken. Ook puzzelen lukt niet meer. Ze staat soms uren voor het raam te kijken, zonder te weten waarnaar. Hun roodstaartpapegaai Arie blijft als altijd tegen haar aan babbelen, maar Rie zegt niet veel meer terug. Jan verzorgt zijn geliefde met de grootste toewijding, tot er eind januari een plekje vrij is bij verpleeghuis Terra. Met pijn in zijn hart brengt hij haar weg, wetend dat het niet anders kan. Meteen heeft hij spijt. En als ze twee weken later overlijdt, neemt hij het zichzelf kwalijk. Ook nu had hij Rie willen beschermen.

Maria Frazer werd geboren op 7 juli 1923 in Utrecht, ze overleed op 19 februari 2019 in Nijmegen.

In Trouw (pdf aanklikken):

Rie Frazer.1

Rie Frazer2

Gezag werkt beter dan macht

Begin 2019 interviewde ik Ronnie van Diemen, inspecteur-generaal voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd voor de levensles in Trouw.

levenslessen Ronnie van Diemen 0902

Ronnie van Diemen (61), topvrouw van de Inspectie gezondheidszorg, pleit ervoor fouten  toe te geven. ‘Laatst stuurde ik een excuusbrief aan een arts, die we als Inspectie niet goed hadden behandeld.’

1 Je afkomst vormt je

“Ik ben opgegroeid tussen de tulpen en gladiolen in een katholiek gezin. Mijn vader, een warme persoonlijkheid, werkte als knecht op een bollenbedrijf. Ik was de jongste van zeven en het enige meisje; voor mij werd altijd gezorgd. Ik droeg mooie jurkjes, maar werd altijd door mijn zes broers op sleeptouw genomen, ik was veel buiten en voelde me altijd beschermd. Een vrije, liefdevolle jeugd met veel warmte. Bij ons thuis was het belangrijk dat je er in het leven voor zorgt dat het met de ander ook goed gaat. Die overtuiging draag ik met me mee.

Als kind in een arbeidersgezin ervaarde ik ook druk. Ik moest wel iets bereiken. Dat was een diepe wens van mijn moeder; zij moest als twaalfjarige al gaan werken en hamerde altijd op studeren voor onze toekomst. Ik zat op een nonnenschool en was best onzeker, maar dat merkte niemand. Ik liet juist van me horen. Op mijn citotoets scoorde ik onverwacht slecht.

Mijn moeder was boos op de uitspraak van de nonnen dat ‘ons soort kinderen beter af was op de mavo’, ik vooral verdrietig. Wat ze ook probeerde, de nonnen stuurden me toch naar de mavo. Daar ontdekten de docenten al snel dat ik er niet thuishoorde en ging ik in mijn eentje naar de havo in Leiden. De eerste maanden kwam ik elke dag huilend thuis omdat ik me zo alleen voelde. Binnen een jaar stroomde ik door naar het atheneum, toen moest ik helemaal laten zien dat ik het kon. Dat eeuwige bewijzen dat je iets voorstelt, kennen veel mensen uit arbeidersmilieus, maar ook vluchtelingen en derdegeneratie-migranten hebben die ervaring. Je afkomst vormt je.”

2 Goed luisteren geeft betekenis

“Dat heilige moeten zat diep bij mij. Tijdens mijn studie geneeskunde was ik bloedserieus, werkte keihard en studeerde cum laude af. Ik wist al snel dat ik kinderarts wilde worden, dat waren betrokken en bevlogen artsen, dat wilde ik ook zijn. Ik was 25 toen ik voor het eerst een vader zag huilen om zijn doodzieke kind aan de nierdialyse. Totaal ontredderde ouders, die zich machteloos en verdrietig voelden. En tegelijk zo veerkrachtig. Het maakt zoveel uit hoe je als arts omgaat met mensen in hun diepste verdriet; toen leerde ik, van ouders en mijn opleider, dat je met oprechte betrokkenheid echt betekenis kunt geven.

Ik nam de ontreddering van ouders altijd serieus. Als je goed luistert kun je hun angst beter begrijpen. Een baby of klein kind kan zelf niets uitleggen, je moet als arts al je zintuigen openzetten. Voelen, luisteren, je intuïtie volgen, steeds anders kijken naar zo’n ziek kind en proberen te achterhalen wat er mis is. Die ervaring zet ik nog dagelijks in, ook bij ingewikkelde cases binnen de Inspectie. Ik zet dan al mijn zintuigen open, wil alles horen, zien, voelen, alle perspectieven belichten en daarna neem ik een beslissing.”

3 Denk altijd in mogelijkheden

“Mijn drie kinderen zijn de grootste verandering in mijn leven. Ze houden mij met beide benen op de grond, bij hen moet ik niet aankomen met mijn artsen- of bestuurderstoontje. Ik ben op alle drie zo trots. Genietend om wie ze als mensen zijn, hoe ze in het leven staan. Kort na de geboorte van mijn jongste zoon, bleek dat hij in mijn buik een hersenbloeding had gehad. Toen zat ik ineens aan de andere kant van de tafel, was ík de machteloze, verdrietige moeder. Als kinderarts wist ik dat zijn toekomst er anders uit zou zien, ik kende de impact van dergelijk hersenletsel maar al te goed.

Hij laat mij ten diepste zien wat het werkelijk betekent om kwetsbaar te zijn in deze maatschappij. Ons gezin is anders, hechter, ik denk omdat we dit met elkaar hebben meegemaakt. De oudste twee hebben een innige band met hun jongste broer – en hij met hen. Hij is een vechter, net als ik, en hij wil niet anders zijn. Toen hij wilde gaan hardlopen, zei ik eerst: ‘Dat kan niet met je moeilijke voeten en onhandige been.’ Ik wilde hem beschermen tegen de pijn dat hij het niet zou kunnen. Maar een cliënt die ik ontmoette in de psychiatrie hield mij een spiegel voor en zei altijd te denken in mogelijkheden. Mijn zoon op deze manier beschermen, hielp hem niet. Ik gaf hem speciale schoenen. Uiteindelijk hebben we samen de halve marathon gerend. Een fantastische ervaring. Net zo’n mooie prestatie als de marathon van Berlijn die ik vorig jaar samen met mijn dochter liep. Het leven komt zoals het gaat, maar je hebt wel invloed op hoe je ermee omgaat.”

4 Een gezin runnen doe je samen

“Ik heb altijd hard gewerkt: tijdens mijn eigen opleiding waarin ik ook promoveerde, als kinderarts, hoofd van de kinderafdeling en als opleider. Ik was actief in allerlei landelijke commissies, deed rustig tien activiteiten tegelijk. Intussen vroeg mijn gezin ook de nodige aandacht. Dit kon ik allemaal doen doordat mijn man mij alle ruimte gaf, hij werkte toen parttime in het onderwijs en was thuis in de schoolvakanties. Ik draaide werkweken van tachtig uur. Bij ons thuis klonk vaak: “Mama is werken!”

Dat had nooit gekund als mijn man zijn eigen carrière op nummer 1 had gezet. Ik heb geluk gehad dat ik op hem verliefd werd. Hij weet dat ik de continue uitdaging nodig heb, dat ik veel vreugde haal uit steeds weer iets leren. Wat dat betreft zie ik mijn leven als een grote leerschool. En ik draag mijn kennis graag over op jonge mensen, ik laat vaak arts-assistenten een dagje meelopen, of ik neem ze mee naar mijn gesprekken met de minister. Ik geniet ervan als ik eraan kan bijdragen dat mensen zich blijven ontwikkelen. Nu ik 61 ben heb ik die drive nog steeds, al is het wel evenwichtiger. Ietsje evenwichtiger, zou mijn man zeggen.”

5 Werken betekent veel, maar niet alles

“Toen ik als kinderarts stopte, ervaarde ik dat als een rouwproces. Ik moest mijn identiteit als arts loslaten en vond dat niet eenvoudig. Ik werd directeur van het opleidingsinstituut van het VUmc in Amsterdam en gaf er op dat moment geen aandacht aan, ik stopte het weg. Ik werkte hard, was opnieuw succesvol, maar niet echt gelukkig.

Toen kreeg mijn man ernstige hartklachten en zijn cardioloog vertelde me dat hij net zo goed dood naast me in bed had kunnen liggen. Ik schrok enorm dat ik het zelf niet gezien had en stopte acuut met werken. Vanaf dat moment kwam er meer ruimte, ook voor alles wat ik had weggestopt. Ik ging praten met een coach en kon gebeurtenissen in mijn leven meer betekenis geven. Naast dat deze periode onze relatie verdiept heeft, was dit ook een keerpunt in mijn leven. In plaats van het eeuwige moeten, leerde ik dat het gaat om mijn eigen keuzes, om wat ik wil en kan. Het raakt me niet meer zo wat anderen daarvan denken.”

6 Een goede dokter wil altijd blijven leren

“De zorg die je je eigen familie gunt, is mijn hele carrière mijn diepste drijfveer, het fundament in mijn werk. Sinds mijn aantreden zes jaar geleden werk ik aan een Inspectie die niet functioneert vanuit macht, maar vanuit vertrouwen. Onze inspecteurs kijken steeds meer door de ogen van de patiënt en de zorgverleners, ze gaan vaker met hen in gesprek, en waar nodig grijpen we in. Lastige gesprekken leiden altijd ergens toe, als je maar in alle openheid met elkaar kunt praten.

Een arts die zich open opstelt naar patiënten en zijn collega’s, en die kan toegeven dat hij vermoeid was en daardoor een diagnose miste, maar daarvan wil leren, is in mijn ogen een goede arts. Van fouten maken leer je. Dat geldt net zo goed voor ons als Inspectie. Zo stuurde ik vorige maand een excuusbrief aan een orthopeed, bij wie we in het onderzoek als Inspectie niet correct hadden gehandeld.”

7 Geloof niet in macht, maar in gezag

“Af en toe kan ik wakker liggen van mijn werk. Als ik de volgende dag ouders op gesprek krijg, die hun kind verloren hebben door een medische fout, bijvoorbeeld. Of laatst met die toestand rond de failliete ziekenhuizen in Amsterdam en Lelystad. Dat waren geen gemakkelijke gesprekken. Ik zat aan tafel met specialisten, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordigers, bestuurders, en allemaal hadden ze een eigen visie, een eigen belang. Op zo’n moment ben ik uiterst serieus. Ik luister naar alle kanten van het verhaal, vat het samen en probeer oplossingen in kaart te brengen.

Ik heb formeel wel macht om dingen te bepalen, maar ik geloof meer in gezag. Als ik dan rust kan creëren en merk dat we er met elkaar uit komen, ga ik met hernieuwde energie naar huis. Eenmaal thuis praat ik er weinig over, dat deed ik als arts ook niet. Als ik ergens mee zit, schakel ik eerder mijn vriendinnen in met wie ik elke zondagochtend hardloop. Wij noemen ons de ‘Magnificent Seven’: zeven bevlogen vrouwen, de meesten actief in de zorg. Met hen kan ik goed praten over dingen die mij raken, en waar ik mee worstel. Tijdens het hardlopen verdwijnen de emoties en worden zaken altijd helder.”

Ronnie van Diemen (Noordwijk, 1958) is sinds 2012 Inspecteur-generaal Gezondheidszorg en Jeugd. Ze begon haar opleiding kindergeneeskunde in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht en promoveerde in 1989 op hemodialyse en niertransplantatie bij kinderen. Later werkte ze tien jaar als opleider en afdelingshoofd kindergeneeskunde in het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein. Van Diemen bekleedde diverse adviesfuncties rond medisch opleiden. Daarna werd ze hoogleraar-directeur van het Instituut voor onderwijs en opleiden van het VUmc in Amsterdam. Zij stopte daarmee toen haar man ernstig ziek werd. In 2008 werd ze bestuurder bij GGZ Oost Brabant tot ze in 2012 werd benoemd tot Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg. Ronnie van Diemen is getrouwd en heeft drie volwassen kinderen. 

 

 

 

Levenslessen van cardioloog Hariette Verwey

LEVENSLESSEN

De Leidse cardioloog Harriette Verwey (65) ging dit jaar met pensioen. Ze zet zich graag in als zwart rolmodel. ‘Ik laat jongeren zien dat het kan. Een zwarte vrouw in een witte jas.’

Les 1 – Wees niet bang voor de volgende tree

“Ik ben grootgebracht in een traditioneel Surinaams gezin met acht kinderen. Ik heb zes broers en een zusje. Mijn vader werkte zich een slag in de rondte als politieman, mijn moeder was de spil van het gezin. Ze hadden beiden alleen maar lagere school. We waren arm, maar mijn moeder zorgde ervoor dat we altijd met een volle maag gingen slapen. Ze had een moestuintje en was erg creatief. Van goedkope marktstofjes naaide ze al onze kleren. Iedereen dacht dat we veel geld hadden, omdat ik vaak een nieuwe garderobe had. Het gaat er niet om wat je hebt, maar hoe je ermee omgaat, leerde ze ons. Ze had een prachtige mezzosopraan-stem en zong de hele dag. Na het achtste kind ging ze studeren en werkte ze zich op tot onderdirecteur van een lagere school.

Ook mijn vader volgde diverse cursussen en klom op tot een hoge politiefunctionaris in Paramaribo. Door al het harde werken was hij weinig thuis. Met mij en de oudere kinderen had hij een andere band dan met de jongste vier; ik herinner me geen vader die mij knuffelde. Hij leerde mij dat je verder komt in het leven door te focussen, je talent maximaal te gebruiken en niet bang te zijn om de volgende tree te beklimmen. Hij wist dat ik iets zou bereiken. Wij zijn nog steeds een hechte familie, ook al lopen we de deur niet bij elkaar plat. Toen onze oudste broer vorig jaar overleed, stapte iedereen automatisch in z’n rol. Wij zijn er altijd voor elkaar.”

Les 2 – Geef een gevulde hand

“Achttien jaar was ik toen ik naar Nederland ging om in Leiden geneeskunde te studeren. Ik was gewend aan veel mensen om me heen, en in Suriname kon je altijd overal mee-eten. Nederland was in 1970 niet zoals het Nederland van nu. Toen lieten mensen je rustig tijdens het eten in de voorkamer wachten tot ze klaar waren. Dat vond ik zo kil. Nu is dat gelukkig anders en zeggen mensen gelijk: ‘Je prikt toch wel een vorkje mee?’

Die eerste jaren was ik arm en eenzaam – ik kende niemand. Ik kan die fysieke pijn van eenzaamheid nog steeds voelen. De climax kwam met Kerstmis, al mijn huisgenoten gingen naar huis en ik bleef alleen achter in dat grote lege studentenhuis. Daar zat ik met mijn zakje krentenbollen. Toen besloot ik: als het in mijn mogelijkheden ligt mag niemand alleen zijn – zeker niet met Kerst. Dus kijk ik altijd even naar het studentenhuis naast mijn eigen huis in Leiden om te kijken of er een eenzaam lichtje brandt. Als dat zo is, bel ik aan en nodig diegene uit om met mij en mijn familie Kerst te vieren. Of ik neem iemand mee uit de kerk.

In mijn studententijd ging ik ook al naar samenkomsten en soms gaf iemand me een hand met daarin wat geld. Dat vond ik zo bijzonder. Dat iemand mij echt zag en belangstelling toonde. Ik voel me bevoorrecht dat ik nu iemand een gevulde hand kan geven. Ik doe dat vaak. Ik heb het gemaakt, ik heb het geld, dus geef ik het graag weg. Dat vind ik pas succes.”

Les 3 – Weet wie je voor je hebt

“Ik ben een mensenmens en ben dokter geworden omdat ik voor zieke mensen wilde zorgen. Eerst dacht ik aan chirurgie, maar toen ik als basisarts op de hartbewaking werkte en iemand moest reanimeren, wist ik mijn bestemming: cardiologie. Ik hou van de actie, het directe handelen en het langdurige contact met patiënten.

Ik vind het geweldig dat ik het vakgebied de afgelopen 33 jaar heb zien groeien: dotteren, harttransplantaties, de komst van het permanente steunhart. Dat ik daaraan heb meegewerkt, vind ik ongelooflijk. Iemand die mij hierin stimuleerde, was mijn opleider professor Beert Buis. Hij zei in 1983: ‘Jij bent nieuwsgierig en geeft niet op: jij moet gaan werken in de academische wereld.’ Die raad heb ik opgevolgd en dat heeft me geen windeieren gelegd.

Wat mij het meest is bijgebleven van deze man is dat hij me naar Suriname stuurde – met een maandsalaris vooruitbetaald – om bij mijn moeder te kunnen zijn. Zij was altijd kerngezond, maar kreeg een hersenbloeding door verkeerde medicijnen.

Toen ik in het ziekenhuis in Paramaribo aankwam, klampte ik de eerste de beste arts aan om te vragen waar mijn moeder lag. Hij bleek de behandelend neuroloog en zei direct dat mijn moeders prognose uitzichtloos was en stortte allerlei complexe medische termen over mij uit. Ik stond te tollen op mijn benen, ik schrok vreselijk. Ook al was ik zelf arts, ik was vooral haar dochter. Deze ervaring heeft mij veranderd; ik heb patiënten altijd slecht nieuws verteld op zo’n manier dat ze het konden behappen. Vaak schreef ik alles ook nog op, zodat het goed overkwam. Mijn moeder overleed korte tijd later. Dat is mijn diepste verdriet. Zij was 59, ik begin dertig.”

Les 4 – Emoties nemen je hoofd over

“Na mijn moeders dood kwam mijn zusje bij mij wonen – ze was toen 15. Ik werd haar voogd en heb haar studie betaald, net als voor mijn jongste broers. Wij Surinamers helpen elkaar. Ik ben zelf nooit getrouwd en heb geen kinderen; dat is geen bewuste keuze geweest en het heeft al helemaal niets met mijn carrière te maken. Wat wel meespeelde, was dat ik die vanzelfsprekende financiële steun aan mijn familie niet op de schouders van een partner wilde leggen.

Een man hoeft sowieso niet voor mij te zorgen. Het was vaak eerder andersom: mannen zagen mij als de kip met de gouden eieren. Daar heb ik mijn vingers flink aan gebrand. Ik bezat al een hoge positie toen ik verliefd werd. Mijn vrienden en familie hadden wel hun twijfels geuit over deze man, maar ik was vol vertrouwen. Toen bleek dat hij over een substantieel deel van zijn leven had gelogen, heb ik de bruiloft drie weken van tevoren afgeblazen. Zo leerde ik dat je kwetsbaar bent als emoties de boventoon voeren. Hoe slim je ook bent, emoties nemen je hoofd over.

De jaren erna schermde ik me af voor mannen en stortte ik me op mijn werk. Daarna is het er niet meer van gekomen. Ik heb er geen spijt van en vermaak me prima alleen. Ik ben geliefd bij anderen en niet eenzaam. Ik ben er trots op dat ik dat over mijzelf kan zeggen.”

Les 5 – Erken slavernij, maar draag het niemand na

“Ik ben Surinaamse én Nederlandse. Die twee nationaliteiten voelen anders, maar zijn complementair aan elkaar. Ik heb het beste van beide werelden in mij. Mijn moeder was licht van kleur en mijn vader zwart, dus ik wist al jong dat verschillende kleuren in harmonie met elkaar kunnen samenleven. Ik heb altijd gewerkt in een wit mannenbolwerk en me nooit gediscrimineerd gevoeld. Iemand moet recht in mijn gezicht discrimineren voor ik het doorheb. Ik ben er gewoon niet vatbaar voor.

Ik heb een sterk zelfbeeld. Ik laat me niets afnemen. Als mensen iets negatiefs roepen waar ik me niet in herken, stap ik eroverheen. Daar heb ik geen tijd voor. Ik heb me niet echt bemoeid met de zwart-witdiscussies van de laatste jaren. Ik begrijp het wel. Mijn bet-betovergrootvader was een vrijgekomen slaaf, ik behoor tot de vijfde generatie vrije zwarten. Het zou toch te zot zijn als ik die mensonterende slavernij zou ontkennen. Ik vind het belangrijk dat het slavernijverleden erkend wordt en dat er excuses komen. Dat is iets heel anders dan het jou als witte mens nadragen.”

Les 6 – Wees de wind onder iemands vleugels

“Ik ben zonder dat ik dat nastreefde een rolmodel geworden in de Surinaamse gemeenschap en daarbuiten. Als zwarte succesvolle vrouw mag ik graag vrouwen en jongeren – vooral nieuwe Nederlanders – inspireren. Dat doe ik bij mijn activiteiten voor de Etnische Zakenvrouwen Nederland, als eerste zwarte gouverneur van de Rotary in Zuid-Holland en tijdens mijn lessen aan de Weekendschool. Jongens en meisjes uit Leidse achterstandswijken komen naar het ziekenhuis waar ik ze van alles vertel over het hart en over mijn werk. Dat ze op jonge leeftijd een zwarte vrouw in een witte jas zien, is belangrijk: dit wat ik heb, kunnen zij ook bereiken als je je kansen ziet en ook pakt. Ik heb mijn talent benut en doorgezet. Luister niet naar al het geneuzel, richt je op mensen die iets in je zien. Alles is mogelijk.”

Les 7 – Een andere weg kan ook je bestemming zijn

“Ik geloof onvoorwaardelijk. Ik ga al jaren naar de Pinkstergemeente en bid elke dag. God weet waar mijn leven naartoe gaat. God is mijn drijfveer. Soms ben ik ook boos op God, maar ik verlies nooit mijn respect. Ik snap alleen niet altijd de wegen die ik moet gaan. Zoals die keer dat ik werd ontslagen als hoofd van de hartbewaking, omdat mijn leidinggevenden vonden dat ik me daar niet verder zou ontwikkelen. Woest was ik en teleurgesteld.

Korte tijd daarna bezocht ik een congres in Amerika en ontdekte tijdens een lezing dat vrouwen bij hart- en vaatziekten andere klachten hebben dan mannen. Ik schrok me rot. Ik had vrouwen naar huis gestuurd met een tijdbom in hun lijf. Dat onderzoek was een echte wake-upcall. Bij vrouwenaderen moeten we anders en verder kijken om te beoordelen hoe ziek ze zijn. Toen heb ik me daarop gestort. Via verschillende optredens in de media heb ik het vrouwenhart op de kaart gezet.

Een ander moment was rond mijn zestigste. Ik dacht: wat kan ik nog meer doen? Is professor worden iets voor mij? Tot ik tijdens een cursus ‘master of excellence’ in de Hilversumse bossen ineens dacht: wat is mijn kern? Dat was nog altijd zieke mensen helpen. Mijn professorenplan hing ik meteen aan de wilgen en ik keerde terug naar mijn bron: mijn patiënten. Omdat ik tijd en ruimte in mijn hoofd kreeg, ben ik me gaan verdiepen in hartpatiënten die niet in aanmerking komen voor een transplantatie. Voor hen heb ik toen gezocht naar het steunhart als oplossing. Dankzij mijn geschreven protocol en het succes van de behandeling is het inmiddels opgenomen in de basisverzekering en daar hebben tientallen mensen profijt van. Als ik bezig was geweest met mezelf en vooral boos was gebleven, had ik het nooit ontdekt. Kennelijk was het de bedoeling dat ik daarachter kwam.”

Harriette Verwey

Harriette Verwey (Paramaribo, 1951) is 33 jaar lang een toonaangevende cardioloog geweest, haar hele carrière werkte ze in het Leids Universitair Medisch Centrum. Ze was jaren hoofd van de hartbewaking. Van 1985 tot dit jaar besliste zij samen met tien andere cardiologen welke patiënten in aanmerking kwamen voor een harttransplantatie.

Haar specialiteit werd hartfalen en zij introduceerde het permanente steunhart voor mensen die niet in aanmerking kwamen voor een harttransplantatie. Verwey ontpopte zich als voorvechtster van een andere aanpak van het vrouwenhart en trad geregeld op in de media.

In 2015 kreeg ze de Dr. Sophie Redmond- onderscheiding van de Surinaamse gemeenschap. Bij haar afscheid in juni werd ze benoemd tot Officier in de orde van Oranje-Nassau. Harriette Verwey is maatschappelijk betrokken als lid van de Stichting Etnische Zakenvrouwen Nederland en sinds kort als eerste zwarte gouverneur van de Rotary Zuid-Holland. Ze is alleenstaand en woont in Leiden.

Lees hier eerdere afleveringen van Levenslessen

Naschrift voor Dagblad Trouw

Iedere week schrijf ik een levensportret van een persoon die onlangs is overleden. Deze zogeheten ‘Naschriften’ staan elke maandag in Dagblad Trouw. Het is erg bijzonder om op bezoek te gaan bij nabestaanden en middels een gesprek te onderzoeken wat de drijfveer, passie, levenslust en ook de moeilijke momenten waren voor deze persoon. Soms zo indringend en vaak inspirerend. Alle verhalen zijn terug te lezen op Trouw.

Zoals dit verhaal over Niels Schuddeboom.

Meer verhalen lezen?

Erik Suidman was kunstenaar en ging overal vol voor

Sietz Leeflang zag al waar de aarde naartoe ging

Niels Schuddeboom schudde de zorgwereld op

Jacobus Toet zorgde dat Nederland kaviaar leerde eten

Christiane Berkvens-Stevelinck liet pas later zichzelf zien

Piet van den Dool, de boer die niet wilde boeren

Ad van Meurs, muzikale verteller uit De Peel

Marie-Anne van der Veen leek wel een babyfluisteraar

Arnold van Piekeren groot in zijn vak

Cees den Otter experimenteerde graag

Jermaine de Wind gaf nooit op

Ineke van Zoest was juf voor alle kinderen

 

Problemen met aios door verkorte opleiding

De verkorting van de medische vervolgopleidingen leidt tot minder aios op de werkvloer. Dat heeft consequenties voor de avond-, nacht- en weekenddiensten. Met een nieuwhulpmiddel, ontwikkeld door de Federatie en medisch specialisten, kan elk ziekenhuis dit probleem nu hands-on aanpakken. Verschenen in De Medisch Specialist.

Download het complete artikel: 20161215_dms_niet_voor_een_gat_te_vangen