Uncategorized

Theo Verbruggen over zijn geknakte streek

Theo VerbruggenBeeld Martijn Gijsbertsen

Dit jaar veranderde het leven van tv-verslaggever Theo Verbruggen compleet. Het NOS-Journaal zette hem aan de kant en daarna ontvlamde de coronacrisis in zijn geboortestreek. “Ik blijf maar afscheid nemen.”

Met de handen op de rug loopt mediaman Theo Verbruggen (62) over het zanderige laantje waar hij als jochie eindeloos speelde. Het komt uit bij rivier de Aa, een van de weinige authentieke plekjes in zijn geboortedorp Erp in Oost-Brabant, randje Peel. “Hier bouwde ik hutten, speelden mijn broertje Erik en ik eindeloos in de hooischuur. En op mijn driewieler reed ik als peuter naar mijn opa en twee tantes, die op een stamboerderij iets verderop woonden. Dat kon toen gewoon. Als je als kind opgroeit in direct contact met de natuur heb je de beste basis.”

In het huidige landschap herkent hij weinig meer van toen. “Nu zie ik overal rechte vlakken en lijnen. Door de ruilverkaveling en opkomst van grote stallen is dit een economisch gebied, dat weinig te maken heeft met de oorspronkelijke natuur. Toen had je keuterboeren met lapjes grond, omzoomd met kronkelige zandwegen met bramenstruiken erlangs. Een totaal inefficiënte lappendeken. Die romantiek mis ik in dit rechtgetrokken landschap. Dat voelt als een soort landschapspijn”, vertelt Verbruggen terwijl hij over zijn geboortegrond tuurt.

Aan de rand van Erp, in buurtschap de Hoek, wijst hij de boerderij aan waar zijn moeder opgroeide. En precies honderd meter verderop is de boerderij waar zijn vader werd geboren. “Exact tussen die twee plekken in staat het huis van mijn ouders, ze bleven er hun hele leven wonen. Mijn moeder is anderhalf jaar geleden overleden, zes jaar na mijn vader. Heel gemoedelijke, superschattige mensen die nooit opschepten, heel Brabants eigenlijk. Ik ben nu pas haar spullen aan het doorkijken, eerder lukte me niet. Hun huis krijgt komende maand nieuwe bewoners.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Dan staat hij stil bij een bankje gemaakt van oude balken. “Dit hebben de buren ter nagedachtenis van mijn vader geplaatst. ‘Toons buurtbenkske’. Zo gaat dat hier.” Om daarna even een praatje te maken met de overburen over de verkoop van het weiland, dat wordt verdeeld over drie buren. “Vriendelijke mensen. Dit was een zachtaardige bodem om op te groeien.”

U bent in de 25 jaar dat u voor de NOS werkte overal geweest, toch heeft u Brabant nooit de rug toegekeerd?

“Nee, ik voel me echt een Brabander. Steeds meer eigenlijk, zeker nu ik ouder word. Ook ik ben zachtmoedig, een beetje de kat uit de boom kijkend, gemoedelijk. Ik doe veel opdrachten voor Brabantse familiebedrijven. Dan helpt het >> als je weet hoe die mensen in elkaar steken. Ook zij zijn totaal niet opschepperig, terwijl ze hier grote daden neerzetten. Denk aan de Swinkeltjes van Bavaria en de Van Eerdjes van de Jumbo, allemaal grote jongens.”

Naast hun bescheiden kant kent hij ook die andere kant. “Brabanders zullen nooit rechtstreeks zeggen wat ze van iemand of iets vinden, dat merk ik bij die bedrijven en dat kon mijn moeder ook. ‘Mens’, zei ik dan, ‘waarom zeg je niet gewoon eerlijk wat je vindt?’ Dat kon ze niet, voor de goede vrede. Het was een zegen dat mijn broer en ik heel anders in elkaar staken; wij hebben hen echt meegetrokken in onze wereldse levens.”

Het was al snel duidelijk dat zoon Theo geen boer in spe was: “Ik vind kippen en koeien stinken.” Maar toen zijn broer er ook van afzag, en duidelijk werd dat beide zoons van de mannenliefde waren, moest het traditionele katholieke ouderpaar wel even schakelen. “Dat was echt een grote teleurstelling in hun levensverwachting: geen opvolger voor de boerderij én geen kleinkinderen. Niet eenvoudig voor ze, maar ze toonden zich warmhartig en tolerant.

“Het heeft denk ik wel geholpen dat ik iets bereikte: als ze me in het zes-uurjournaal zagen, waren ze echt trots. Dat heb ik ze gelukkig wel kunnen geven. ‘Ons Theo zit bij de NOS’, zeiden ze in het dorp. Al is Anky van Grunsven natuurlijk de beroemdste Erpenaar, daar kan ik niet aan tippen”, zegt hij breed lachend.

Wilde u altijd al journalist worden?

“Nee, dat is zo gelopen, net als veel dingen in mijn leven. De middelbare school was niet prettig, daar gold het recht van de sterkste, een lompe, harde sfeer. Mijn geaardheid hielp niet: een lastige tijd. Ik wilde per se uitvliegen. Ik wist niet goed wat ik wilde, dus koos ik voor de sociale academie in Den Bosch. Het waren de jaren tachtig, er was geen uitzicht op werk of een toekomst. Toch was die tijd goud waard voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik werd verliefd op een kraker, een anarchist en genoot intens van dat activistische wereldje. Zelf was ik niet zo, maar ik schurkte er graag tegenaan. Ik deed met alle protesten mee.

“Tot mijn dertigste nam ik hiervoor de tijd. Ik ben een echte laatbloeier. In alles ben ik laat. Ik zat jaren in de bijstand en deed aan proletarisch winkelen – we vonden dat we daar recht op hadden. Ik voelde alle ruimte om te leven. Twintigers willen tegenwoordig zo snel ergens zijn, iets bereiken. Ik heb twee jonge vrienden, een cameraman en een verslaggever, die hebben ook zo’n haast: ik maan ze geregeld om toch alsjeblieft de tijd te nemen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

In die jaren doet hij wat radiowerk voor de lokale omroep en na drie keer uitgeloot te worden bij de School voor Journalistiek, leert hij het vak in de praktijk bij Brabantse lokale en regionale omroepen.

Wanneer ontdekte u dat die bescheiden boerenzoon eigenlijk een podiumdier was?

“In de jaren negentig maakte ik het veelbekeken regionale tv-programma ‘Gestrikt’, in de lijn van presentator Gert-Jan Dröge. Ik bezocht borrels van lokale high society, heel losjes en met een kwinkslag, mensen vonden me grappig. Daarna werd ik presentator van de Late Night Show bij Theaterfestival Boulevard. Ik stond in de coulissen en wilde vooral wegrennen, maar toen hoorde ik de band, het publiek, ik werd aangekondigd en dook ik er gewoon in. Optreden gaf mij een lekker gevoel en het gaf mijn zelfvertrouwen een flinke boost.”

Soms kwamen zijn ouders naar zo’n voorstelling kijken. “Dan riep mijn vader: ‘Da gij unne zoon van men bent’. Stiekem vond hij het prachtig, eigenlijk was hij ook een ondeugende man.”

Daarna raakte zijn carrière in de stroomversnelling, na de regio volgde de landelijke media: de Vara, de NOS, eerst het Radio 1 Journaal, in 2006 kwam tv erbij. Hij werd verslag­gever van het Koninklijk Huis, versloeg rampen, volgde de Q-koorts uitbraak. Was als eerste bij de tramaanslag in Utrecht. “Ik heb zoveel gedaan en gezien, overal waar ik in Nederland kom, heb ik weleens iemand geïnterviewd. Van boze boeren tot koning Willem-Alexander. Toch maakten kwetsbare mensen de meeste indruk op me. Ik vond het heerlijk, ik had nog jaren kunnen doorgaan.”

Maar dan komt vorig jaar zijn chef langs en zij vertelt dat de NOS wil stoppen met de samenwerking: zowel hij als zijn zakelijke partner en radiomaker Maino Remmers, met wie hij al jaren hun bedrijf De Mediamannen runt, horen dat hun freelancewerk ophoudt. “Dat was een ongelooflijke klap. Ik had het totaal niet zien aankomen. En eerlijk gezegd vond ik het ook te vroeg. Het argument was dat ze andere mensen een kans wilden geven verslaggever te worden, collega’s die anders misschien zouden vertrekken naar de commerciëlen. Natuurlijk lag het niet aan mij, mijn leeftijd of mijn kwaliteit, zeiden ze.”

Hoe ging u met dat ontslag om?

“Ik vond het erg moeilijk, nu went het langzaam, maar ik vind het een ingewikkelde fase: ik ben 62, wat wil ik nog? Mijn leven was zo gestructureerd, ik werd elke dag ergens anders op af gestuurd. Nu word ik wakker en kan ik kiezen wat ik wil. Een luxepositie, maar ik moet nog erg wennen. Daarom drink ik zoals altijd nog elke ochtend in hetzelfde tentje koffie en lees de krant. Ik krijg inmiddels prachtige klussen en heb niet stil gezeten: ik geef mediatrainingen en Maino en ik maakten in coronatijd een dagelijks tv-programma in Den Bosch.”

En u nam een puppie.

“Op advies van vrienden.” Dorus, de roestbruine Cavalier-poedel, graaft tijdens het gesprek een gat onder de terrastafel en sjeest achter andere hondjes aan. “Ik ben hem aan het opvoeden, best lastig, ik vind alles leuk wat hij doet. Kinderen heb ik nooit geambieerd, maar ik ontdek dat ik heel zorgend kan zijn. Dorus geeft me structuur in deze fase. Ik heb tijd nodig om te schakelen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Het is afscheid, na afscheid, na afscheid, vertelt hij. “Eerst overleed mijn moeder – ik was heel dol op haar, we leken ook op elkaar. Ik raakte toen een heel goede vriend kwijt, daarna kwam het afscheid bij de NOS en vervolgens brak de coronacrisis uit. Een oom van me overleed, daarna mijn tante. Vorige week was ik bij mijn neef die door corona een hersenbloeding kreeg. Zijn verlichtingszaak staat nu in de verkoop, hij wordt niet meer de oude, vermoed ik. Het komt zo dichtbij, het verlies is hier zo groot.”

En dan zag u ’s avonds op het Journaal voormalige collega’s verslag doen?

“Inderdaad, ze stonden voor het ziekenhuis in Uden waar ik vaak kwam. Dat was slikken. Dit is mijn regio, dit zijn mijn mensen, dacht ik dan. Het verschil zit ’m in kleine dingen. Als bekende Brabander komen mensen sneller op me af, vertellen ze je meer. ‘Ah daar heb je ons Theo’, zeiden ze. Ik vond dat heel eervol.”

Nu hij zichzelf opnieuw moet uitvinden, helpt het dat hij zijn geboortestreek nooit heeft verlaten. “Ik heb weleens gedacht aan verhuizen naar Amsterdam of New York zelfs, nu ben ik blij dat ik dat niet heb gedaan. In Den Bosch ken ik iedereen en iedereen kent mij. Er is niets belangrijkers dan je ergens geaard voelen, dat helpt mij nu.”

“Deze fase voelt een beetje als die periode dat ik maar wat aanklooide als twintiger. Ik laat alles om me afkomen, wil niet overal automatisch ja op zeggen. Soms stap ik zelf ergens op af, zo ben ik sinds kort lid van de Rotary. Dat had ik niet kunnen denken als ex-kraker. Maar nu ik niet meer die neutrale verslaggever hoef te zijn, voer ik andere gesprekken met bestuurders, huisartsen en brandweercommandanten. Ik geef meer mijn mening en meng me in discussies, zoals over het gebied waar we nu wandelen.”

Wat zou u hier willen aanpakken dan?

“Eerlijk gezegd gaan mensen van buiten, die hier zijn komen wonen, beter om met dit landschap dan de oorspronkelijke bewoners. Ik gruwel van het economische gebied dat de Peel is geworden. Ik herken het niet meer. De laatste keer dat ik verslag deed van de boerenprotesten bij het provinciehuis, maakte mijn achtergrond als boerenzoon geen indruk meer. Ik werd bedreigd. Ik hoorde bij de vijand en kreeg beveiligers mee om reportages te maken. Totale waanzin. Bij die jongens van Farmers Defence Force heb ik geen warme gevoelens.”

“Ik voel dat het een andere kant op moet. De Peel heeft zoveel klappen gekregen: eerst de verschraling van het land, het fijnstofprobleem, de luchtvervuiling, de megastallen, de Q-koorts-uitbraak, de intensieve veehouderij en nu Covid-19. Ik vind het niet vreemd dat de corona-uitbraak hier zo groot was. Dit gebied is zo ongezond, mensen ademen zulke slechte lucht in. Dat raakt me. Deze regio is echt geknakt, ik weet niet of die nog de oude wordt. Misschien ligt daar wel een taak voor me als boerenzoon uit Erp.”

Theo Verbruggen (Erp, 1958) werkte na zijn start bij Omroep Brabant 25 jaar voor het Radio 1 Journaal en het NOS Journaal als verslaggever Koninklijk Huis en binnenland. Voor zijn bedrijf De Mediamannen maakt hij sinds zijn ontslag bij de NOS (bedrijfs)filmpjes en regionale tv-uitzendingen. Hij treedt op als dagvoorzitter, presentator en mediatrainer. Verder is hij bestuurder van Nationaal Monument Kamp Vught, ambassadeur van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en Stichting Terminale Thuiszorg. Hij woont in Den Bosch met zijn hond Dorus.

Sterrenchef Margo Reuten: ‘Niemand doet het voor me, ik moet het zelf doen’

© Merlijn Doomernik
LEVENSLESSEN

Margo Reuten (51) is de enige vrouwelijke chef-kok in de Benelux met twee Michelin-sterren. Maandag hoort ze of haar restaurant Da Vinci opnieuw is bekroond. ‘Een ster verliezen zou dramatisch zijn.’

Les 1: Knok keihard!

“Ik denk niet dat mensen weten wat je allemaal moet doen om op dit culinaire niveau mee te kunnen draaien. Twee Michelin-sterren. Dat is een ander universum. Wij presteren elke dag op het hoogste niveau, op de toppen van ons kunnen. Een hardloper traint ook elke dag, maar die hoeft alleen maar te pieken bij de wedstrijd. Wij gaan elke dag voor die piek. Gasten rijden vaak tientallen kilometers om hier te eten, sommigen sparen er een jaar voor. Wij moeten die verwachting wel waarmaken, het is een kunst de zintuigen te verleiden. Ik kook rijk, bij mij draait alles om goede smaken, mooie en rijke streekproducten.

Ik kook niet voor ranglijstjes, toch blijft dat rode boekje van Michelin iets magisch. Als ik een ster verlies… Dat zou dramatisch zijn. Toch zou ik keihard knokken om die terug te krijgen. En een derde ster? In de hele wereld zijn vrouwelijke driesterrenchefs op één hand te tellen. Dat is een unicum, daar moet je niet aan komen.”

Les 2: Een goede handelaar heeft geen praatjes

“Ik ben opgegroeid op de boerderij van mijn ouders, hier vlak om de hoek. Ik ben de oudste van vier, ik heb nog twee zussen en een broer. Wij kwamen vroeger niets tekort. Bij ons kon iedereen aanschuiven. We hadden genoeg vlees, kippen, eieren, alle groenten die je maar kunt bedenken en een boomgaard vol fruitbomen. Voordat wij ‘s ochtends naar school gingen, hadden we alle koeien al gemolken. ‘s Zomers stonden we met z’n allen alles in te maken. Mijn moeder was thuis de stabiele factor; zij was er voor ons. Onlangs werd ze 75; ze ziet er fantastisch uit en is nog altijd druk bezig.

Ons pap handelde toen al in runderen. Hij hield er niet van alleen op pad te gaan, dus ging ik vaak mee. Onderweg in een truckersrestaurant schnitzel eten was ons culinairste hoogstandje. Altijd was hij op zoek naar mooie koeien, kalveren, dikbillen. Ons pap is een echte handelaar, hij doet het nog steeds af en toe. Als hij een mooi kalf ziet, kijkt hij niet naar het kalf van dat moment, maar naar wat voor prachtig dier het wordt. Dat leerde ik van hem, iets in potentie kunnen zien. Zo kook ik ook.

En hij leerde me handel drijven. Daar heb ik nog dagelijks plezier van. Op zaterdagochtend gingen we een keer naar een grote stal in de buurt. Ik was negen en riep de hele dag: ‘Kijk eens pap, wat een mooi kalfje. En daar, dat is een chique!’ We dronken veel koffie, maar reden onverrichterzake naar huis. Ik snapte er niets van. Zulke mooie dieren en hij kocht niets. Toen zei hij: ‘Als jij de hele dag loopt te schreeuwen hoe prachtig die kalfjes zijn, koop ik natuurlijk niets.’ Een week later gingen we terug. Ik hield mijn mond stijf dicht en hij kocht honderd kalfjes. Hij leerde mij veel, en altijd op een positieve manier. Ik zal nooit bij de visboer vragen wat de tarbot kost. Nee, ik vraag altijd: wat kost míjn tarbot?”

Les 3: Je kunt je toekomst niet dromen

“Ik wilde vroeger alles worden, boer of slager leek me mooi. Ik was vijftien toen ik op zaterdag bij een slager ging werken. Dat vond ik machtig. Om negen uur had ik al honderd schnitzels in de paneer liggen en ik pelde rustig honderden eieren voor het buffet. Op een dag viel er een meisje uit bij het serveren van het buffet. Ik mocht invallen en serveerde wat ik die dag zelf had gemaakt. Ik zag al die mensen blij worden en genieten van het lekkere eten. Toen viel bij mij het kwartje: ik wilde kok worden. Ik ging naar de middelbare koksopleiding in Roermond. Dat betekende in dure restaurants stage lopen: een nieuwe wereld.

De omslag kwam toen een klasgenoot stage zou lopen bij tweesterrenrestaurant Juliana in Valkenburg. Maar die knul had een vriendin en vond ‘t te ver weg. Dus ging ik, als eerste meisje. Mijn ouders brachten me weg, ze wilden wel weten waar hun dochter terecht zou komen. Chef Toine Hermsen zei: ‘Ik wil haar wel een weekje proberen en als ze bevalt, heb ik een kamer voor haar.’ De druk was gelijk hoog.

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

© Merlijn Doomernik

Ik was zeventien, het eerste meisje in de keuken en ik wist van niks. Thuis aten we aardappelen en bakten we taarten. Dit was totaal anders. De dag dat ik bij Juliana de keuken in liep en die koks aan het werk zag, wist ik dat ik in mijn toekomst keek. De hectiek, de pannen, de chemie van het koken. De passie die ervan afspatte. Ik kreeg na die week kamer 34 en stond maandenlang in een koud hok groenten te schillen. Af en toe haalde mijn vader me ‘s avonds op als ik heimwee had. Dan hoefde ik maar een paar uurtjes de boerderij te ruiken en kon ik weer door. Dat ik nu mijn eigen tweesterrenrestaurant heb, is iets wat ik niet van tevoren had kunnen dromen.”

Les 4: Toon ballen als vrouw

“Na mijn diploma bleef ik bij Juliana werken. Toine Hermsen inspireerde mij tot de mooiste gerechten. Van hem heb ik zoveel geleerd. Na 3,5 jaar ging ik bij Cas Spijkers van De Swaen werken. Hij wilde aanvankelijk geen vrouw achter de kachel, maar erkende later dat ik me prima staande had gehouden. Ik heb altijd met mannen gewerkt en leerde van hen te zeggen waar het op staat. Ik ben fel en sta altijd op mijn strepen.

Ik hoorde in die tijd van de titel Meesterkok en begreep dat daar nog geen vrouw tussen zat. Dat leek me machtig. Ik zocht uit wat ik ervoor moest doen. En dat was nogal wat. Maar het lukte en op mijn 24ste was ik de eerste vrouwelijke Meesterkok van Nederland. Wat een happening was dat.

Eigenlijk vind ik het onbegrijpelijk dat ik de enige vrouw ben met twee Michelin- sterren in de Benelux. Toen ik begon waren er meer dames met een of twee sterren, maar je moet het wel volhouden. Het zegt iets over je drive, en over kansen krijgen. Het gaat om doorzetten. Deze zaak laat toch zien dat ik ballen heb. Daar ben ik ontzettend trots op. Dit jaar heb ik drie dames in de keuken – Iris, Lindsey en Merel – dat is ongekend. Ze brengen een andere energie en frisse ideeën mee, zij inspireren mij weer.”

Les 5: Slapen kan altijd nog

“Deze zaak is mijn leven. Als ik terugdenk aan alles wat ik hiervoor heb moeten doen en laten, ontroert me dat. Nooit op verjaardagen komen, bruiloften van goede vrienden missen. Altijd werken, altijd knokken. Ik weet nog dat ik een dure patisseriecursus wilde volgen en ik mijn vader om geld ging vragen. Hij zei: ‘Hé Margo, wie moet die cursus doen? Jij of ik?’ Toen wist ik genoeg. Ik betaalde die zelf en slaagde met een 9. Niemand doet het voor me, ik moet het zelf doen. Dit leven betekent ook dat mijn man Petro en ik geen gezin hebben, dat is zo gegaan. Deze zaak opbouwen, de sterren winnen, daarna een grote verbouwing, en dat alles perfect willen doen? Dat gaat niet samen met een gezin. Als mijn nichtjes soms in de keuken zijn, laat ik alles meteen los. Dat kan nu, maar in de jaren dat we alles opbouwden had ik voortdurend mijn volle aandacht nodig. We zeggen altijd: slapen doen we later.”

Les 6: Je hebt een beschermer nodig

“Petro betekent alles voor mij. Ik botste de eerste dag bij restaurant Juliana al tegen hem op en na een tijdje ontbijtjes en croissantjes wilde hij verder met mij. We waren negentien en ik zei: ‘Ik vind je heel leuk, maar we gaan eerst onze eigen weg.’ We hielden contact en een paar jaar later spraken we af samen naar een feest te gaan. Vanaf dat moment zijn we samen. Hij is een geweldige sommelier. Hij denkt in wijn, staat op met wijn, gaat ermee naar bed.

In 1993 kregen we de geweldige kans om grand café Da Vinci in mijn geboortedorp over te nemen, ik was net 26. We waren sterrenzaken gewend en moesten het nog wel voor elkaar zien te boksen. Petro heeft me altijd naar voren geschoven, dat moet je wel kunnen als man. Hij is mijn beschermer, hij let op mij. De zaak maakt ons compleet, hij maakt mij compleet.”

Les 7: Een ster haal je niet op

“Na vijf jaar bikkelen kwam de Michelingids van 1998 uit. Wij stonden er niet in, maar onze vriend Hans van Wolde – van Beluga – wel. Wat was ik pissig. Toen zijn Petro en ik naar Brussel gereden, naar het kantoor van Michelin. Die meneer van Michelin ontving ons netjes en praatte wat, maar zei niks. Eenmaal terug in Maasbracht gingen we bij mijn ouders langs. Ik was woest. Waarop mijn vader nuchter zei: ‘Ben je de ster gaan halen, Margo?’ Toen dacht ik: wij gaan gewoon werken, wij doen ons ding en wat het brengt, brengt het.

Het jaar erop kregen we onze eerste ster. En in 2009 onze tweede. We hebben wel het geluk gehad dat de kroontjes kwamen. Ik let nu niet meer op andere sterrenchefs, ik heb ze niet nodig. Ik hoef niet groter te zijn dan anderen. Het zijn nu mijn vrienden. Ik leef voor mezelf en voor mijn gasten.”

Les 8: Zet de knop om

“Petro zegt weleens: ‘Ah, daar heb je die positivo weer.’ Zo ben ik. Maar dat hielp toen ik vier jaar geleden borstkanker kreeg. We zaten in de trein naar Parijs voor een fotoshoot met Franse chefs, toen ik werd gebeld door de arts. Het was niet goed. Het eerste wat ik vroeg: ‘Ik kan toch nog wel Kerstmis draaien?’ Maar dat kon niet. Ik heb helaas het hele weggetje moeten bewandelen: acht chemokuren.

Ik wilde vechten, vooral voor mezelf. Wat dat betreft was ik bikkelhard. Zodra ik kon, pepte ik mezelf op en stond ik in de keuken. Wij zien in het restaurant de mooie kanten van het leven, maar ook de verdrietige. Toen ik terugkwam, kreeg ik zo veel ontroerende reacties. Soms werd het me te veel, maar dan kon ik altijd terug naar de keuken.

Een half jaar geleden hebben we onze maître John Lammers verloren aan een auto-ongeluk. Hij was 23 jaar bij ons in dienst. Dat zet alles in een ander perspectief.

Ik heb zelf ten minste nog kunnen vechten. Ik heb geluk gehad, daar ben ik dankbaar voor en ik steek wekelijks een kaarsje aan bij Onze-Lieve-Vrouw. Ik was wel even bang dat ik mijn smaak zou kwijtraken. Dat is gelukkig niet gebeurd. Ik ben wel anders gaan koken: ik let meer op smaak, kook verfijnder en met meer balans. Net als in mijn leven, meer balans.”

Margo Reuten

Margo Reuten (1965, Maasbracht) runt met haar man Petro Kools het tweesterrenrestaurant Da Vinci in Maasbracht. Om de hoek van haar geboorteplek. Haar carrière begint na de middelbare koksopleiding bij Toine Hermsen van restaurant Juliana. Daarna werkt ze enkele jaren bij Cas Spijkers van De Swaen. Op haar 24ste wordt ze Meesterkok en is daarmee de jongste en eerste vrouw ooit met deze titel. In 1993 openen Reuten en haar man Da Vinci. Ze behaalt diverse onderscheidingen.

In 1999 krijgt het restaurant de eerste Michelin-ster en in 2009 de tweede. Reutens keuken is klassiek, Frans en ze serveert streekgerechten. Ze schreef het boek ‘Proeven van bekwaamheid’ met diverse recepten uit haar keuken.

Lees hier meer afleveringen uit de rubriek levenslessen.

registreren is geen specialistenwerk

De toenemende registratielast onder medisch specialisten werpt de vraag op: moeten alle registraties wel door specialisten worden gedaan? Of kunnen anderen die taak beter overnemen?

Prof. dr. Jacqueline de Graaf, internist en opleidingsdirecteur medisch-specialistische vervolgopleidingen, Radboudumc in Nijmegen

‘Registreren hoeft inderdaad niet per se door specialisten te worden gedaan. Dat is de grootste denkfout die gemaakt is na de digitalisering, hierdoor gaat te veel kostbare tijd verloren. Specialisten zijn registratietaken gaan doen, die soms beter door anderen uitgevoerd kunnen worden. Wij zijn daar veel te duur voor. Ik zou bijvoorbeeld graag zien dat registratietaken, die niet direct gekoppeld zijn aan een DBC of kwaliteitsverbetering, worden overgeheveld naar student-assistenten. In het Radboudumc hebben we met deze zogeheten ‘scribes’ positieve ervaringen. Zij ondersteunen onze aios op de SEH tijdens de avonddiensten; ze vangen niet alleen telefoontjes op, maar schrijven ook patiënten in, checken hun medicatie en voeren de medische voorgeschiedenis in de computer in. Dat scheelt ongelofelijk veel tijd en het is een fantastische ervaring voor de studenten geneeskunde. We doen ook een proef op de poli interne geneeskunde met een scribe die naast de aios zit en alles noteert. Zo kan de aios zich volledig op het consult richten en hoeft niet alles aan te vinken en in te typen. Dergelijke scribes breder inzetten doet niets af aan de kwaliteit van zorg. Integendeel: het biedt juist meer ruimte en tijd aan patiëntenzorg. Daarmee zeg ik niet dat ik ook de verantwoordelijkheid overhevel: wij blijven als medisch specialisten uiteraard inhoudelijk eindverantwoordelijk.’ 

Dr. Leon van Adrichem, plastisch chirurg in het UMCU in Utrecht en de Velthuis Kliniek in Hilversum

‘Medisch specialisten moeten absoluut zelf de hand houden in het registreren. De anamnese, het lichamelijk onderzoek, het behandelplan, kortom alles wat direct met de patiënt en de behandeling te maken heeft moet door de specialist zelf worden ingevoerd. Alleen dan kun je goed weergeven wat je bedoelt, wat de essentie van de behandeling is. Niemand anders kan klakkeloos van de specialist overnemen. Als alles wordt teruggevoerd tot codes en afvinklisten sluipen er geheid fouten in. Dat zie je al bij intercollegiale consulten: vaste codes zeggen te weinig, je wilt weten wat de behandelend arts vindt en zelf heeft vastgesteld. Ik ben bang dat wanneer je bepaalde registratietaken volledig uit hand geeft, je ook stopt met nadenken. Dan komt het neer op lijstjes doorlopen en codes aanvinken: dat werkt pseudoveiligheid in de hand. Je elimineert hiermee ook de variatie van patiënten. Daar wil ik ver van blijven.

Ik zou liever zien dat het registreren slimmer wordt. Ik denk dat we de systemen beter kunnen inrichten, zodat na het invullen van medische bevindingen er vanzelf een DBC-code uitrolt bijvoorbeeld. En dat je als check een vraag krijgt of dat wat het systeem voorstelt wel klopt met jouw bevindingen als specialist. Maar ook dan moet er ruimte blijven voor variatie. Dan zijn we goed op weg.’

Lees hier het artikel in De Medisch Specialist

 

 

 

 

 

Rust, reinheid en ruzie

Voorjaarsschoonmaak voor het lijf. Journalist Dana Ploeger gebruikte een vakantie voor een detox – samen met haar man. ‘Wat mis je dan?’ ‘Nou, gewoon, alles.’

Het is al zo lang geleden, dat ik het me niet eens meer kan herinneren: een weekje samen weg zonder de kinderen. Just us. Dit jaar waren de omstandigheden ineens zo dat er zes lege dagen voor het oprapen lagen. En omdat ik wel van projecten houd, stelde ik voor om niet alleen te luieren, te lezen en te wandelen, maar er iets extra’s aan toe te voegen. We hadden allebei een periode achter de rug van snoeihard werken en aanzienlijk minder zorg voor onszelf. Onze lijven en hoofden waren aan een stevige voorjaarsschoonmaak toe, vond ik.

“Wat? Serieus?”, reageerde een goede vriendin. “Je gaat voor het eerst sinds jaren samen een weekje weg en dan ga je detoxen? Geen wijn, geen etentjes, geen ontbijtjes op bed? Ben je wel goed snik?” Ik had geen steekhoudend antwoord en twijfelde. Toch was het verlangen naar een fitter, schoner en wat slanker lijf sterker dan het vooruitzicht van een lome week vol restaurantbezoekjes.

Verrassend genoeg reageerde mijn man gelijk positief. Dus sjeesde ik de dag voor vertrek langs de natuurwinkel en de supermarkt en kocht twee tassen vol fruit, groente, bakjes humus, blikken kokosmelk en een peperdure pot amandelpasta. Officieel – zo opperde het geraadpleegde boek ‘Simply Daytox – in 7 dagen terug naar de basis’ van Kyra de Vreeze – had ik die notenpasta 48 uur daarvoor zelf kunnen maken.

Door de amandelen te weken, spoelen, kiemen, bakken en pureren. Daar was het niet van gekomen. Wel hadden we ons voorbereid door alle suikers, vlees, wijn, zuivel en koffie stapsgewijs uit ons menu te bannen.

Zoete aardappel

Onze bestemming is oostelijk Duitsland, waar we al enige jaren regelmatig verblijven, daar is het stil en wifi-loos. Een veilige plek, want deze week gaan we ook afkicken van mails, app’s en social media. En zo zitten we na een dag rijden ’s avonds tegenover elkaar – zonder enige afleiding – aan een warm sapje van één zoete aardappel en één biet.

En dus niet aan de gebruikelijke Hähnchen mit Pommes, die we bij aankomst altijd eten bij de ‘Deutsche Eiche’ met oma in de keuken en zoonlief achter de bar. We lachen om ons karige maal en zijn binnen tien minuten klaar. Mijn blik dwaalt naar het wijnrek met heerlijke Duitse biowijn; die moet wachten tot een andere vakantie. Voordat we er vroeg induiken – want, zegt Kyra: ‘zorg dat je acht uur slaapt’ – zet ik alvast een kom met havervlokken en abrikozen in de week. Voor het ontbijt.

Het schema vertelt ons dat de dag begint met yoga. Op het vloerkleed voor de houtkachel wurmen we ons in onmogelijke houdingen (voor de goede yogaverstaander de ‘twist op handen en knieën’ en de ‘eenbenige downward facing dog’).

Daarna douchen, koud afspoelen voor het verhogen van de weerstand en het extra afvoeren van afvalstoffen en dan aan het ‘ontbijt’. Het is inmiddels al tien uur en we hebben flink trek. Met een ‘abrikozen-kokosbowl’ (van havervlokken, abrikozen, kokosmelk, kardemom en munt) zitten we aan tafel. Getver, wat een vieze kledder; niet echt een handige kick-off. Ik warm het havergoedje een beetje op, dat verbetert de boel – ietsjes. Zet dit de toon voor de komende week?

© Colourbox

Kriegelig

Gelukkig blijken de verdere kommen met soep, smoothies en eenvoudige salades wel smakelijk en vooral eenvoudig te maken. De bereiding duurt niet langer dan een kwartiertje, ‘zodat je wat tijd wint’, schrijft Kyra. ‘Die tijd kun je vervolgens besteden aan andere essentials, zoals rustig kauwen, opruimen, tijd met je geliefden, stretchen, of een paar minuutjes in de zon.’ Tijd hebben we genoeg deze week.

Maar omdat we wat kriegelig worden van alle adviezen, vragen en opdrachten van Kyra laten we het ingeblikte schema snel los. We willen niet alles opschrijven wat we voelen of een ‘tafeldekritueel’ bedenken. Zonder de kinderen hebben we juist behoefte aan doen waar we zin in hebben. Dus laten we niet het boek, maar de momenten bepalen waar we zin in hebben; buiten mediteren, een stadswandeling – inclusief uitgebreid kerken bekijken – een dutje, een vrijpartij zomaar midden op de dag en ’s avonds lange gesprekken over wat ons drijft en wat we verlangen voor de komende tijd.

Dag 1, 2 en 3 verlopen rustig en aangenaam. Wat we eten is vullend genoeg, en voor we het in de gaten hebben is het alweer tijd voor de volgende maaltijd. Wel loop ik meerdere keren per dag gedachteloos naar de voorraadkast. Puur uit gewoonte. Maar ik pak niets. Mijn lief heeft daar meer moeite mee. “Wat mis je dan?”, vraag ik. “Nou, gewoon, alles. Ik loop de hele dag aan lekker eten denken. Ik mis vooral het brood. En mijn koffie!”

Opvallend is de sfeer, die is anders dan anders. Uiteraard door het gebrek aan tienerhectiek, maar ook door het ontbreken van het doorgaans uitgebreide koken, tafeldekken, afruimen, afwassen en boodschappen doen. Zo’n kom is zo omgespoeld. En er is minder onrust – ook in ons. We zijn stiller, genieten meer en ik denk weinig aan het werk en aan thuis. Het razen is weg in mijn hoofd. Mijn telefoon trekt niet meer om de paar minuten mijn aandacht – alleen voor het achterblijvende thuisfront staat ’ie nog aan.

Lamlendig

Dag 4 zijn we ineens allebei strontvervelend, suf en lamlendig. Kennelijk zit er een grens aan ons fijne zen-gevoel. We krijgen al ruzie boven de ontbijtbowl van sinaasappel, banaan, kokosyoghurt, avocado en twee eetlepels basilicum. “Doe dat irritante boekje nou eens weg! Dit weet je toch allang, waar je stress van krijgt en wat je eraan kunt doen.”

Om niet meteen om 9 uur in een enorme ruzie te belanden, sta ik resoluut op en ga douchen. Daar denk ik: hij heeft wel gelijk, ik duik veel te veel in dit project, wil het te goed doen. Na de douche zak ik onderuit in de bank. En lig zo een uur voor me uit te mijmeren. Die ochtend mijden we elkaar een beetje, maar na wat stille uren maken we ’s middags een lange wandeling en eten op een zonnig terras (stiekem) een heerlijke salade met een stuk knisperig vers desembrood. Smaakt dit altijd zo goddelijk?

De laatste dag zijn we weer vrolijk en pittig fit. We snoeien de heggen, verplaatsen wat planten, poten nieuwe rozen en bouwen ’s middags nog een kast in de badkamer. Nu ja, wij? Hij eigenlijk. Ik zit te lezen. Beiden zijn we ook wel weer blij dat het voorbij is, eten heeft voor ons toch ook vooral met gezelligheid te maken, het koken, het lange tafelen. Dit sappen voelt niet als eten.

En ’s avonds gaan we op de goede afloop naar een fijn Italiaans restaurant. Ik kies voor muntwater en gegrilde groente, maar aan de overkant van de tafel zet de ober een ‘Sal-timbocca a la Romana’ met een glas Merlot neer. En koffie toe. “Is dat handig, denk je?” opper ik. “Ja, hoor.” Ik slaap die laatste nacht heerlijk, maar naast mij is het bed urenlang leeg. Die espresso op die brandschone maag – waar 10 dagen geen spoortje cafeïne te vinden was – is wat heftig binnengekomen. Met als resultaat dat het huis midden in de nacht helemaal opgeruimd is en onze tassen al ingepakt klaarstaan. Ook dat is voor herhaling vatbaar.

In de week na de detox hebben we beiden veel meer energie dan normaal en we zijn allebei twee kilo lichter. We bouwen ons eetpatroon heel rustig op, zodat we het schone gevoel zo lang mogelijk vasthouden. En koffie na het eten is nog niet teruggekeerd in het patroon. Dit ga ik zeker nog eens doen, al vermoed ik niet vaker dan één keer per jaar.

Verantwoord thuis detoxen

Je kunt een detoxkuur volgen in een spa- of kuuroord waar het sapvasten wordt gecombineerd met massages, rustmomenten en saunabezoek. Maar het kan ook gewoon thuis: de meeste kuren duren 3 tot 5 dagen. Bij natuurvoedingswinkels, natuurgeneeskundigen en op internet zijn legio mogelijkheden te vinden. De kuren variëren in strengheid: de 7-daagse daytoxkuur van Kyra de Vreeze is een light-versie, waarbij je kleine, vaak vloeibare maaltijden eet. Je kunt ook sapkuren volgen waarbij je louter groente – en fruitsappen drinkt. Voor mensen met (chronische) aandoeningen is het goed een arts vooraf te raadplegen.

Bang voor mijn vakantie

Vakantiegangers met diabetes moeten zich altijd flink voorbereiden. Om een ontspannen reis te hebben en zo stabiel mogelijk bloedglucosewaarden. Toch zijn er nog altijd mensen die zo bang zijn dat mis gaat, dat ze liever thuis blijven.

Op reis gaan betekent even uit uw comfortzone stappen. De vertrouwde omgeving achterlaten en nieuwe ervaringen opdoen. De meeste mensen kijken hier reikhalzend naar uit, maar sommigen blijven liever thuis. Uit angst voor de reis en alles wat er fout kan gaan. Reisangst kan allerlei oorzaken hebben, zoals bang zijn om te vliegen, onzeker zijn over de plek waar je terecht komt, heimwee krijgen of angst hebben voor een onveilige omgeving of ongeluk. Voor mensen met diabetes komt daar nog een extra zorg bij. Hoe regelt u uw diabetes zo dat u lekker kunt genieten van de vakantie. Iedere bestemming – ver of dichtbij – heeft andere zaken waar u op moet letten. Gaat u backpacken door Azië, kamperen in Italië of door Marokko reizen? U zult zich goed moeten informeren over de gewoonten, voeding, klimaat en reisomstandigheden. Niet iedereen heeft die extra inspanning ervoor over en sommigen blijven zelfs thuis. Jammer, zegt diabetesverpleegkundige en coach Jacqueline Putker, want voor iedere reiziger met diabetes zijn er genoeg oplossingen om de droomreis te kunnen maken.

Lees hier het complete artikel, verschenen in Diabc, voorjaar 2016:

Reisangst door diabetes

Levenslessen actrice Ellen Pieters

Actrice Ellen Pieters kruipt komende maand in de rol van Adèle Bloemendaal. Intrigerend vindt zij haar. “Een vrouw met overduidelijk een geheim, met een extroverte en een zeer gesloten kant. Daar herken ik wel iets in.”

Les 1 Geef acteurs een rommelmarge

“In de theaterwereld van nu draait alles om zo snel mogelijk een productie uit de grond stampen. Niet dat het vroeger allemaal beter was, maar toen hadden we als acteurs wel meer tijd om ons de rollen en personages eigen te maken. Om een rol echt tot in de finesses goed te krijgen, is eenvoudigweg geen geld meer. Dat vind ik weleens moeilijk. Het ontbreekt ons aan ‘rommelmarge’, tijd om dingen uit te proberen. In de komende productie ‘Adèle, Conny, Jasperina – De Grote Drie’ waarin ik Adèle Bloemendaal vertolk, hadden we een maand de tijd om de musical in de vingers te krijgen. Dat was erg kort, ik heb het zelf altijd echt nodig om me helemaal in te leven in een personage, dus heb ik eindeloos naar oude banden van optredens en shows van Adèle Bloemendaal gekeken – maar wel in mijn eigen tijd.”

Les 2 Blijf stoïcijns

“Voor mij is de enige manier om me staande te houden in dit veeleisende, dwingende wereldje om heel dichtbij mezelf te blijven. Ook al wordt een producent woest, reageert het publiek anders dan ik hoop, ik probeer me er niets van aan te trekken. Dat lukt het beste door heel stoïcijns te blijven. Ik let niet te veel op alle details en de zakelijke dingen van de productie, maar richt me puur en alleen op mijn prestatie. Als acteur kom je pas helemaal aan het einde van een productiecyclus in beeld; tot die tijd moet je flink de focus op jezelf houden, zodat je prestatie op het moment suprême top is. Ik herinner me nog goed een voorstelling waar ik jaren geleden in speelde, met een waardeloos script, een veel te krap budget en een hopeloze producent – ik noem geen namen. Toen zag ik voortdurend redenen om op te stappen. Toch deed ik het niet. Je moet soms binnen lastige omstandigheden er het beste van te maken. Mij hielp het toen om steeds het echte plezier in mijn spel op te zoeken, dat doe ik nog steeds. De laatste tijd verlang ik steeds meer naar iets zelf te maken. Daar denk ik veel over na. Juist ook omdat ik me soms te veel in een mal gedrukt voel, ik wil graag weer zelf creëren.”

Les 3 Koester je eigen geheim

“Over de vraag of ik Adèle Bloemendaal wilde spelen, hoefde ik geen seconde na te denken. Intrigerend vind ik haar, een vrouw met overduidelijk een geheim, met een extroverte én een zeer gesloten kant. Ik herken daar wel iets in. Als 14-jarig meisje draaide ik al liedjes van haar elpee ‘Adèle’s keus’. Ik was een rebelse puber en luisterde naar haar stem op mijn zolderkamertje, in mijn eigen wereldje. Ik heb Adèle een paar keer ontmoet, we hebben ooit met elkaar geluncht, maar verder ken ik haar niet. Om haar nu goed te vertolken heb ik. Door met mensen om haar heen te praten en heel veel opnames te bekijken, wel een beeld van haar gekregen. Ik vind haar spannend, uitdagend, echt een personage waar ik me helemaal in kan verliezen. Een vrouw van grote hoogten en diepe dalen. En die hoop ik – ik zeg met nadruk hoop ik – straks op het toneel te benaderen.”

 Les 4 Wees als de Zangeres zonder Naam

“Op het toneel ben ik vaak angstig. Ik moet enorm vechten tegen die binnenste stem, die criticus die me altijd naar beneden haalt, die me een gevoel van schaamte geeft tijdens het spelen. Heel irritant. Toch ben ik hiervoor geboren, als jong meisje dacht ik altijd dat iedereen aan het oefenen was om later een rol in een film te spelen, net als ik. Pas toen ik ouder werd, ontdekte ik dat acteren gewoon werk is. Ik heb mijn hele jeugd geoefend met spelen en werd gelijk aangenomen op de kleinkunstacademie en ging vlot aan het werk. Vreemd eigenlijk, dat ik dit al mijn hele leven doe, kennelijk wil iets in mij die schaamte overwinnen. Die voel ik al heel lang, het is bijna een soort schaamte dat ik besta. Dat klinkt pathetisch, maar ik denk dat dit met mijn karakter te maken heeft, hoe ik gevormd ben: blij en tobberig ineen. Toen ik me verdiepte in Mary Servaes voor de musical ‘De Zangeres zonder Naam’, kon ik echt jaloers zijn op haar gemak, haar gebrek aan schroom. Hoewel ze ook een vrouw was met een duistere, geheime kant, maakte ze vrij eenvoudig en heel natuurlijk keuzes in haar leven. Zonder er heel diep over na te denken, zonder wroeging. Zij was niet al te slim, maar compleet overtuigd van haar eigen kunnen. Was ik maar iets meer zoals zij was, heerlijk lijkt me dat.”

Les 5 Woede overwint angst

“Ik weet inmiddels dat ergens bang voor zijn me tegenhoudt in mijn ontwikkeling. Angst is een slechte raadgever. Toch helpt het soms ook. Toen ik druk repeteerde voor ‘De Zangeres zonder Naam’, stonden er een paar jonge theatermensen wat lacherig te wijzen naar de poster van die musical. Een van hen riep: ‘Zo’n rol zou ik nóóit willen spelen’ en de anderen knikten instemmend. Zo’n volkse vrouw vertolken, wilden ze maar zeggen. Aan dat soort mensen die hoog van de toren blazen, die zichzelf heel wat vinden, kan ik me doodergeren. Vreselijk. Op zo’n moment voel ik zo’n intense woede vanuit mijn binnenste opborrelen, dat ik me direct over mijn angst heen kan zetten. Dan wint de woede en wil ik per se laten zien dat het spelen van een volkse vrouw dezelfde inspanning kost als welke vrouw dan ook. Mary Servaes was van vlees en bloed. Ze wist te ontroeren. Dat wilde ik laten zien.”

Les 6 Niets is wat het lijkt

“Vanaf mijn jongste jeugd voel ik twijfel. Over mezelf, over wie ik ben en wat ik wil. Rond mijn 28ste jaar was ik erg zoekende. Op alle vlakken zocht ik richting: mijn werk, mijn vak, mijn relaties. Welke kant moest ik op? Ik zocht naar antwoorden op dat oude gevoel van twijfel, dat gevoel dat ik eigenlijk al mijn hele leven kende. De vraag of ik er wel mocht zijn. In die periode ontdekte ik dat mijn vader, de man die mij had opgevoed, niet mijn biologische vader was. Mijn moeder, die acht jaar daarvoor was gestorven, had dat geheim meegenomen in haar graf, ook mijn vader wist van niets. Als ik niet was gaan zoeken, was het waarschijnlijk nooit uitgekomen. Ik ontdekte het doordat ik bleef doorvragen bij familieleden. Toen ik hoorde wie mijn biologische vader was, vielen alle puzzelstukjes in elkaar. Mijn gevoel dat er iets niet klopte, bleek dus waar. Ik kende mijn biologische vader goed en hij had zo zijn eigen issues. Daardoor ben ik heel blij dat niet híj maar mijn vader mij heeft opgevoed; een stabiele, rechtschapen, degelijke vent, die ervoor zorgde dat ik een beetje in het gareel bleef met mijn gefladder. Enige sturing was ook wel nodig bij ons thuis, een tamelijk bonte toestand met veel reuring. Ik had een ingewikkelde, complexe moeder, ze was balletdanseres en zat vaak op de bank met één been hoog in de lucht haar voeten te strekken en te flexen. Een theatrale, maar ook heel gulle vrouw, alles en iedereen kon mee eten en ze was heel genereus met complimenten en stimuleerde mensen – ook mij – om alles uit het leven te halen. Wat dat betreft is niets wat het lijkt.”

Les 7 Ziekte overwinnen is mazzel hebben

“Ik houd van eerlijkheid en heb een hekel aan mensen die niet zeggen wat ze voelen of denken, maar zeggen wat ze denken dat ze moeten zeggen. Dat soort obligate uitspraken hoorde ik vooral toen ik ziek werd. Ik kreeg baarmoederhalskanker op mijn 39ste, waarvan de dokters later riepen: ‘we waren er op het nippertje bij’. Het gemekker, de bullshit die mensen toen zeiden. Ik kon daar erg slecht tegen. Dat ik zo dapper was, bijvoorbeeld, ik kon daar niets mee. Oké, ik was doodziek, ik kon doodgaan, ik was bang en toch voelde ik me sterk. Niet elke dag, maar ik had veel vertrouwen. Toen ik uiteindelijk beter werd, wilde ik in mijn euforie een kort moment de wereld redden, mijn leven omgooien, ontwikkelingshulp doen (lacht). Dat ‘plan’ was geen lang leven beschoren, in essentie ben ik niet door die ziekte veranderd. Ook voor die tijd was ik al een blij ei, en nog. Ik heb gewoon geluk gehad dat ik beter werd. Ik heb die ziekte niet overwonnen, ik heb geen strijd geleverd, ik heb dit niet zelf gedaan. Ik had gewoon mazzel. En omdat niet iedereen dat kan zeggen, ben ik heel dankbaar en leef ik nu verder vanuit die wetenschap.”

Les 8 Liefde geeft vertrouwen

“In die ziekteperiode ben ik getrouwd met mijn liefde, Han Oldigs, hij is ook acteur. Ik wilde niet ongetrouwd doodgaan. We hebben elkaar ontmoet op het toneel, inmiddels zo’n 16 jaar geleden. Ik wist het gelijk. Dit is mijn man. Een gevoel vanuit mijn diepste wezen, een puur weten. Hij moest daar nog even achter komen, dat wel, maar inmiddels zijn we nog altijd heel happy. Ik lach me gek om die man. Ook als hij iets voor de honderdste keer doet, moet ik nog steeds om hem lachen. We hebben geen kinderen, maar ik weet eerlijk gezegd ook niet hoe ik die had moeten inpassen in mijn leven. Het is vol, druk, enerverend. Wat dat betreft vind ik het leven mooi. Voor iedereen is het leven een gevecht met allerlei afgrijselijke dingen en midden in die ellende vind je dan zo’n echte liefde. Die zomaar ineens in je schoot geworpen wordt. Dat geeft mij vertrouwen. Ik kan veel verdragen, zolang het maar echt is.”

Les 9 Wees je eigen tegenstelling

“Ik houd van de contradictie van moeilijk en mooi, van lief en lastig. Eigenlijk zoals Adèle Bloemendaal ook haar leven heeft geleefd. Heel erg publiek, lekker extreem en toch met een heel groot stuk privé dat ze met hand en tand beschermde. Voor mij geldt dat ook, ik woon op het platteland en kan niet goed tegen de stad, de drukte, al die premières. Het liefst verschijn ik in joggingbroek op de rode loper of helemaal over the top met lange wimpers en glitter. Van die tegenstelling houd ik. Dat ben ik ten voeten uit. Als ik niet op het toneel sta, ben ik het liefst thuis, bij Han. En feestjes die vier ik met vrienden, mijn zelf gekozen familie die al jaren met mij oploopt. In donkere en in lollige tijden.”

Biografie: Ellen Pieters (1964, Purmerend)

Ellen Pieters is actrice en zangeres en speelt in theater-, film- en televisieproducties. Na de kleinkunstacademie rolt ze al snel de theaterwereld in. Aanvankelijk doet ze vooral typetjes, zo kent het grote publiek haar vast nog van ‘Kopspijkers’ als prinses Máxima en Rita Verdonk. Ze maakt enkele jaren cabaret, onder anderen met Tosca Niterink, en speelt veel toneel en in musicals, zoals ‘Wat zien ik’, ‘‘t Schaep met de 5 Pooten’, ‘Op hoop van Zegen’, ‘Hij gelooft in mij’ en ‘In de ban van Broadway’. In 2011 kreeg ze voor haar vertolking van Mary Servaes in de muzikale voorstelling ‘De Zangeres zonder Naam’ lovende recensies. Op televisie speelt ze de hoofdrol in ‘Rechercheur Ria’ van SBS 6. Het jongere publiek kent Ellen Pieters van ‘Het Klokhuis’ en haar rol als geinig lachende burgervrouw in ‘Welkom bij de Romeinen’, ‘De Gouden Eeuw’ en ‘Welkom in de IJzeren Eeuw’. Op 13 februari is de première van ‘Adèle, Conny, Jasperina – De Grote Drie’, waarin zij Adèle Bloemendaal speelt samen met Frédérique Sluyterman van Loo als Conny Stuart en Hanneke Drenth als Jasperina de Jong. Ellen is getrouwd met acteur Han Oldigs.

Bekijk hier het het artikel in Trouw: levenslessen Ellen Pieters