Mag ik bij jullie wonen?

Mag ik bij jullie wonen?

Pleegouders voor pubers zijn nauwelijks te vinden. Maar wat als het rechtstreeks, door een meisje van dertien, aan je wordt gevraagd? Dat overkwam Dana Ploeger. Het maakte veel los in haar gezin.

Net voordat ik naar bed wil gaan, check ik mijn mails op mijn telefoon. Dom. Ik weet dat deze gewoonte een onrustige nacht kan veroorzaken. Ik zie een nieuw bericht van de middelbare school van mijn dochter. Met als titel: bijzonder verzoek opvang leerling. Nieuwsgierig open ik het bericht.
“Ik ben een meisje van 13. Ik zit nu een aantal weken op deze school en heb het erg naar mijn zin. De klas is erg leuk en ik heb het gevoel dat het goed is hoe ik ben. Ik wil hier dus heel graag blijven. Dit is mijn zesde school in twee jaar tijd. Dat komt door problemen thuis. Tot vorige week zat ik in een pleeggezin, maar daar kan ik niet langer blijven. Er is geen plek in de buurt waar ik naar toe kan. Dat betekent dat ik weer op een andere plek kom te wonen en weer een andere school moet zoeken.”

Zes scholen
Bureau Jeugdzorg zoekt samen met school een thuis voor dit meisje. Keer op keer lees ik het bericht door. “Er is geen plek waar ik naar toe kan. Zes scholen in twee jaar tijd.” De woorden echoën door mijn hoofd. Boven hoor ik mijn oudste zoon nog rommelen op zijn kamer. Onze twee meiden slapen al. Gisteren was deze woonkamer nog afgeladen met vrienden en familie om mijn verjaardag te vieren. Veel gelach, gezelligheid en een doos lege wijnflessen.
Nog geen 24 uur later lees ik dit bericht over een meisje zonder thuis. De brief is verstuurd naar de ouders van zo’n 700 leerlingen. Het raakt me. Het verzoek zelf, maar ook dat school dit durft. Met al deze gedachten zit ik stilletjes op de bank als mijn man laat thuiskomt van zijn werk. Hij heeft zijn jas nog niet uit of ik begin over het pubermeisje. Zouden wij hierin iets kunnen en moeten doen?
“Stel je voor dat niemand reageert. Dat zo’n grietje geen antwoord krijgt. Zoiets kun je toch niet over je hart verkrijgen?”, zegt hij. Voor mijn man is het direct duidelijk. Natuurlijk kan ze hier komen wonen. We hebben toch genoeg ruimte in ons gezin, huis en hart? Zijn spontane, warme reactie verrast me niet, dit is waarom ik van deze man houd. Maar bij mezelf mis ik die stellige overtuiging.

‘Het vulkaantje’
Hoezo hebben wij genoeg ruimte? We hebben niet eens een extra slaapkamer? En stel dat het een problematisch kind is, misschien wel verslaafd of gestoord? Kan ik dat aan? Ik twijfel of ik wel uit het juiste hout gesneden ben. Ik kan soms ontploffen over niks. Mijn eigen kinderen weten dat en noemen me dan ‘het vulkaantje’. De beste vriend van mijn zoon zei onlangs na een week vakantie met ons: “Dana is drie dagen ongelooflijk gezellig, dan twee dagen pittig chagrijnig en de laatste dag is ze weer super tof.”
Een realistische beschrijving van mijn warmhartigheid. Hoe moet dat dan met zo’n 13-jarig pleeggrietje? Tot diep in de nacht praten we erover. Wanneer we eindelijk naar bed gaan, kijkt mijn lief de slaapkamer rond en zegt nuchter: “Als we hier nu een muurtje trekken, hebben we in no time een extra kamertje.” Tuurlijk. Het duurt eindeloos voor ik in slaap val.

De volgende ochtend bespreken we ‘het pleegmeisje’ met onze kinderen. Ook zij reageren positief. Met één mits van de jongste, die haar kleine kamer liever niet wil delen. Zelfs als we verhalen oprakelen van ‘ingewikkelde’ kinderen die we kennen of zeggen dat de vakantie dan niet doorgaat, zeggen ze volmondig ‘ja’. Natuurlijk kan ze hier komen wonen. “Mam, stel je voor dat je niet bij je ouders kunt wonen. En dat dan niemand je wil hebben”, zegt mijn middelste met een blik vol medelijden en verontwaardiging. Zo van: daar zegt toch niemand nee tegen. Ik ben trots op mijn ruimhartige kinderen.
Als iedereen de deur uit is, overdenk ik mijn haperende ‘ja’. Waar komt die vandaan? Ik ben toch opgevoed met de nodige zorg voor een ander. Mijn moeder en zus hebben zelfs een weeshuis opgericht in Kenia waar we als familie jarenlang zorg voor hebben gedragen. Ik geef gul aan diverse goede doelen en zal nooit de deur dichtdoen voor de neus van een collectant. Maar een kind van een ander in huis nemen?

Gewoon mooi
Urenlang surf ik over het internet en lees alles wat los en vastzit over pleegzorg. Ik bekijk filmpjes over pleegouders; eenvoudige, inspirerende verhalen verteld door heel gewone mensen. “Het is zo mooi als je ziet dat een kind opbloeit in je gezinnetje”, vertelt een pleegmoeder. Een ander zegt: “Je moet altijd schakelen bij pleegkinderen, maar daarin ontwikkel je jezelf.”
Het is gewoon mooi om iets te kunnen betekenen, hoor ik vooral. Tot slot doe ik de test ‘Ontdek de pleegouder in jezelf’. Wat is een stabiele omgeving voor een kind? Hoe houd je goed contact met biologische ouders? Wat heb je nodig om een goede pleegouder te zijn? Ik beantwoord alle vragen en krijg gelijk de uitslag: ‘Pleegzorg lijkt helemaal bij jou te passen. Ben je misschien al pleegouder?’
Wat maak ik me toch druk of ik dit allemaal wel kan? Tussen de middag bel ik mijn man en vertel hem dat ik Jeugdzorg ga bellen. We gaan het doen. We zetten onze deur open. Enigszins nerveus spreek ik een bericht in en mail de jeugdzorgdame dat we ‘beschikbaar’ zijn. Twee dagen hoor ik niets, maar in mijn hoofd is ze er al. Ik begin al aan het idee te wennen. Tot we later die week een bericht van Jeugdzorg krijgen.

Beste allemaal,
Op het verzoek voor een pleeggezin voor een leerling is door jullie allen massaal gereageerd. Namens de leerling zelf, haar ouders en Bureau Jeugdzorg willen wij jullie hier enorm voor bedanken. Het is geweldig om te merken hoe groot de betrokkenheid is en hoeveel mensen klaarstaan om te helpen! Op dit moment is er een oplossing voor haar situatie.
Bureau Jeugdzorg

Geraakt
Geweldig nieuws. Dat geeft toch weer een ander beeld over onze individualistische samenleving. Ontroerend. Tegelijk voel ik ook opluchting, dat wij gewoon ons eigen gezin houden. Vreemd, alsof het nu is opgelost. Terwijl ik weet dat er nog steeds pubers in de knel een thuis nodig hebben. Maar voor mij is het even afgedaan.
Weken gaan voorbij en geregeld denk ik aan het pleegmeisje. Waar zou ze zijn, bij wie zou ze terecht zijn gekomen? Het verzoek heeft iets geraakt, maar of ik ooit pleegmoeder word? Ik geloof het niet, maar ik wil wel iets doen. Gewoon, voor een ander. Voor ouderen? Of eenzamen? Ik besluit contact op te nemen met het verzorgingshuis om de hoek. Met het aanbod voor de bewoners om naar hun levensverhaal te luisteren en wellicht op te tekenen. Dat kan ik en ik vind het ook prettig dat ik dat ‘buitenshuis’ kan doen. Kennelijk hecht ik meer aan mijn eigen huis en mijn setje dan ik dacht. Die dag komt mijn dochter met rode wangen uit school: “Weet je nog, mam, van dat pleegmeisje. Nou, ze is weggelopen. Snap jij dat nou?” Bij een kop thee praten we over hoe ingewikkeld het leven van een ander kan zijn. En hoe verdrietig dat is. Moeilijk te bevatten, zowel voor mijn puber als voor mij.

Afbeelding1

© Maartje Geels. Leni (66) en Jan Kees (63) Roose zijn al 27 jaar pleegouders. Naast hun vier eigen kinderen, zorgden ze voor zeventien pleegkinderen. Nu wonen een tienermoeder, haar baby en een 19-jarige pleegzoon bij hen.

Ons verras je niet meer

 Leni (66) en Jan Kees (63) Roose uit Amersfoort zijn al 27 jaar pleegouders. Naast hun vier eigen kinderen, zorgden ze voor 17 pleegkinderen. Nu wonen een tienermoeder en haar baby en een 19-jarige pleegzoon bij hen.

Leni: “Ik wilde altijd al pleegmoeder worden, maar mijn man had twijfels omdat we zelf al vier kinderen hadden. Tot we een verzoek kregen voor een peuter die voor zes weken opvang nodig had. Ik zei direct: ‘dat doen we’. Ze was een heel drukke peuter, maar paste goed in ons gezin. Uiteindelijk werd ze ons ‘vijfde’ kind en is ze gebleven. Na dat meisje zaten we ineens in de pleegzorg en hebben in totaal 17 kinderen bij ons gewoond. Kort, lang, crisis, baby’s, tieners; we hebben van alles in huis gehad. Ons verras je niet meer. Mijn hart gaat altijd open als ik een kind zie, dat zelf weinig kansen krijgt. En zo moeilijk is pleegouder zijn niet. Alles draait om een veilige plek met duidelijke regels en normen en een groot hart. Dan komt een kind al snel tot rust en blijkt er meestal niet zoveel mis te zijn. Er is wel eens een plaatsing voortijdig beëindigd, dat kwam omdat er met dat kind echt geen enkele afspraak te maken was. Het pleegouderschap heeft mijn wereld groter gemaakt. Ik ben er veel ruimer door gaan denken. Het moeilijke is soms het gebrek aan privacy. Daarom hebben we nu elke dinsdag onze vaste vrije dag. Dan pakken we een museumpje en genieten we intens.”

Jan Kees: “Toen ik vorig jaar met pensioen ging, vierden we dat met ons ‘gezin’, bestaande uit 28 kinderen, pleegkinderen, kleinkinderen en pleegkleinkinderen. Geweldig. Ik leef een ander leven dan collega gepensioneerden. Minder saai. Vorige week werd ik gevraagd mee te doen aan het seniorenprogramma in onze kerk. Ik dacht ‘senior’? Ik sta nog midden in het leven en heb altijd nog een kind aan de hand. We bezoeken scholen, regelen kinderopvang, voeren lange gesprekken over tienerproblemen. Ze houden ons jong. Hier gebeurt elke dag iets anders. Als pleegouders moet je voortdurend schakelen. Toch heb ik er geen dag spijt van. Ieder kind bracht iets moois mee. We stoppen pas als onze huidige pleegzoon en pleegdochter met haar baby het aankunnen zelfstandig te wonen. Dan pak ik mijn klusbus en zorg ervoor dat ze goed terecht komen. Met de meeste pleegkinderen hebben we nog steeds contact. Als er iets is, komen ze vaak nog langs om met ons te praten, of zo maar, voor de gezelligheid.”

Pleeggezin uit Utrecht: Ik twijfel nu meer dan in het begin

Hilda (32) en Rutger (36) uit Utrecht hebben naast twee zoons van 8 en 9 jaar een pleegdochter van 16 in huis. Dat betekent veel liefde geven en weinig terugverwachten.

Hilda: “Bij je eigen kinderen ervaar je altijd wederkerigheid in de liefde. Je stopt er veel liefde in en ontvangt ook liefde terug. Bij pleegkinderen werkt dat anders, zij missen vaak de warme, veilige basis om zich te kunnen hechten. Als pleegouder moet je niets terugverwachten. Pleegkinderen doen enorm hun best en tonen zeker lief gedrag, maar bij die laag eronder van echte liefde geven komen ze niet. Dat snap ik en verlang ik ook niet.

Mijn man en ik wisten al jong dat we pleegouders wilden worden. Zelfs nog voor onze twee zoons werden geboren. Toen we drie jaar geleden ons huis gingen verbouwen, hebben we eerst de hele pleegzorgprocedure doorlopen en daarna pas besloten tot een grote verbouwing. Met genoeg plek voor pleegkinderen. Inmiddels hebben we drie pubermeisjes opgevangen.

Daarmee kies je niet voor de makkelijkste weg. Pubers proberen van alles uit, zoeken grenzen op en gaan er ook geregeld overheen. Bij pleegpubers zie je dit nog sterker, omdat ze niet weten hoe het anders kan. Dat hebben ze niet geleerd. Soms twijfel ik, nu meer dan in het begin. Of ik het wel kan. Het is best pittig af en toe. Tot nu toe zijn we er elke keer uitgekomen door veel te observeren, praten en met hulp van de pleegzorgorganisatie.

Toch blijf ik blijf goed kijken naar wat het met onze eigen kinderen doet. Als ik merk dat zij eronder lijden, zouden we er wel eens mee kunnen stoppen. Ons tweede pleegkind liep weg na vijf weken; een heftige ervaring. Voor ons en onze zoons. Je geeft een kind vertrouwen en bereidt je erop voor dat dit vertrouwen een keer wordt geschaad. Als dat echt gebeurt, voelt dat niet fijn. Toch is het gaaf als je iets kunt bijdragen aan de ontwikkeling van een kind, dat geeft voldoening. Zo kregen we pas een kaartje van een pleegdochter die tijdens haar ziekte in de weekenden bij ons aansterkte. Toen wilde ze niet meer leven. Nu klonk er weer levenslust door in haar kaartje. We weten dat haar plaatsing bij ons bijgedragen heeft aan haar herstel. Pleegzorg is heftig, intens én mooi. Je stapt in een avontuur waarvan je niet weet waar het je brengt.”

(In verband met privacy overwegingen van de pleegkinderen, zijn de namen van Hilda en Rutger gefingeerd)

 

Posted on: juni 14, 2016Dana Ploeger

Geef een reactie