Zomertijd

Theo Verbruggen over zijn geknakte streek

Theo VerbruggenBeeld Martijn Gijsbertsen

Dit jaar veranderde het leven van tv-verslaggever Theo Verbruggen compleet. Het NOS-Journaal zette hem aan de kant en daarna ontvlamde de coronacrisis in zijn geboortestreek. “Ik blijf maar afscheid nemen.”

Met de handen op de rug loopt mediaman Theo Verbruggen (62) over het zanderige laantje waar hij als jochie eindeloos speelde. Het komt uit bij rivier de Aa, een van de weinige authentieke plekjes in zijn geboortedorp Erp in Oost-Brabant, randje Peel. “Hier bouwde ik hutten, speelden mijn broertje Erik en ik eindeloos in de hooischuur. En op mijn driewieler reed ik als peuter naar mijn opa en twee tantes, die op een stamboerderij iets verderop woonden. Dat kon toen gewoon. Als je als kind opgroeit in direct contact met de natuur heb je de beste basis.”

In het huidige landschap herkent hij weinig meer van toen. “Nu zie ik overal rechte vlakken en lijnen. Door de ruilverkaveling en opkomst van grote stallen is dit een economisch gebied, dat weinig te maken heeft met de oorspronkelijke natuur. Toen had je keuterboeren met lapjes grond, omzoomd met kronkelige zandwegen met bramenstruiken erlangs. Een totaal inefficiënte lappendeken. Die romantiek mis ik in dit rechtgetrokken landschap. Dat voelt als een soort landschapspijn”, vertelt Verbruggen terwijl hij over zijn geboortegrond tuurt.

Aan de rand van Erp, in buurtschap de Hoek, wijst hij de boerderij aan waar zijn moeder opgroeide. En precies honderd meter verderop is de boerderij waar zijn vader werd geboren. “Exact tussen die twee plekken in staat het huis van mijn ouders, ze bleven er hun hele leven wonen. Mijn moeder is anderhalf jaar geleden overleden, zes jaar na mijn vader. Heel gemoedelijke, superschattige mensen die nooit opschepten, heel Brabants eigenlijk. Ik ben nu pas haar spullen aan het doorkijken, eerder lukte me niet. Hun huis krijgt komende maand nieuwe bewoners.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Dan staat hij stil bij een bankje gemaakt van oude balken. “Dit hebben de buren ter nagedachtenis van mijn vader geplaatst. ‘Toons buurtbenkske’. Zo gaat dat hier.” Om daarna even een praatje te maken met de overburen over de verkoop van het weiland, dat wordt verdeeld over drie buren. “Vriendelijke mensen. Dit was een zachtaardige bodem om op te groeien.”

U bent in de 25 jaar dat u voor de NOS werkte overal geweest, toch heeft u Brabant nooit de rug toegekeerd?

“Nee, ik voel me echt een Brabander. Steeds meer eigenlijk, zeker nu ik ouder word. Ook ik ben zachtmoedig, een beetje de kat uit de boom kijkend, gemoedelijk. Ik doe veel opdrachten voor Brabantse familiebedrijven. Dan helpt het >> als je weet hoe die mensen in elkaar steken. Ook zij zijn totaal niet opschepperig, terwijl ze hier grote daden neerzetten. Denk aan de Swinkeltjes van Bavaria en de Van Eerdjes van de Jumbo, allemaal grote jongens.”

Naast hun bescheiden kant kent hij ook die andere kant. “Brabanders zullen nooit rechtstreeks zeggen wat ze van iemand of iets vinden, dat merk ik bij die bedrijven en dat kon mijn moeder ook. ‘Mens’, zei ik dan, ‘waarom zeg je niet gewoon eerlijk wat je vindt?’ Dat kon ze niet, voor de goede vrede. Het was een zegen dat mijn broer en ik heel anders in elkaar staken; wij hebben hen echt meegetrokken in onze wereldse levens.”

Het was al snel duidelijk dat zoon Theo geen boer in spe was: “Ik vind kippen en koeien stinken.” Maar toen zijn broer er ook van afzag, en duidelijk werd dat beide zoons van de mannenliefde waren, moest het traditionele katholieke ouderpaar wel even schakelen. “Dat was echt een grote teleurstelling in hun levensverwachting: geen opvolger voor de boerderij én geen kleinkinderen. Niet eenvoudig voor ze, maar ze toonden zich warmhartig en tolerant.

“Het heeft denk ik wel geholpen dat ik iets bereikte: als ze me in het zes-uurjournaal zagen, waren ze echt trots. Dat heb ik ze gelukkig wel kunnen geven. ‘Ons Theo zit bij de NOS’, zeiden ze in het dorp. Al is Anky van Grunsven natuurlijk de beroemdste Erpenaar, daar kan ik niet aan tippen”, zegt hij breed lachend.

Wilde u altijd al journalist worden?

“Nee, dat is zo gelopen, net als veel dingen in mijn leven. De middelbare school was niet prettig, daar gold het recht van de sterkste, een lompe, harde sfeer. Mijn geaardheid hielp niet: een lastige tijd. Ik wilde per se uitvliegen. Ik wist niet goed wat ik wilde, dus koos ik voor de sociale academie in Den Bosch. Het waren de jaren tachtig, er was geen uitzicht op werk of een toekomst. Toch was die tijd goud waard voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik werd verliefd op een kraker, een anarchist en genoot intens van dat activistische wereldje. Zelf was ik niet zo, maar ik schurkte er graag tegenaan. Ik deed met alle protesten mee.

“Tot mijn dertigste nam ik hiervoor de tijd. Ik ben een echte laatbloeier. In alles ben ik laat. Ik zat jaren in de bijstand en deed aan proletarisch winkelen – we vonden dat we daar recht op hadden. Ik voelde alle ruimte om te leven. Twintigers willen tegenwoordig zo snel ergens zijn, iets bereiken. Ik heb twee jonge vrienden, een cameraman en een verslaggever, die hebben ook zo’n haast: ik maan ze geregeld om toch alsjeblieft de tijd te nemen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

In die jaren doet hij wat radiowerk voor de lokale omroep en na drie keer uitgeloot te worden bij de School voor Journalistiek, leert hij het vak in de praktijk bij Brabantse lokale en regionale omroepen.

Wanneer ontdekte u dat die bescheiden boerenzoon eigenlijk een podiumdier was?

“In de jaren negentig maakte ik het veelbekeken regionale tv-programma ‘Gestrikt’, in de lijn van presentator Gert-Jan Dröge. Ik bezocht borrels van lokale high society, heel losjes en met een kwinkslag, mensen vonden me grappig. Daarna werd ik presentator van de Late Night Show bij Theaterfestival Boulevard. Ik stond in de coulissen en wilde vooral wegrennen, maar toen hoorde ik de band, het publiek, ik werd aangekondigd en dook ik er gewoon in. Optreden gaf mij een lekker gevoel en het gaf mijn zelfvertrouwen een flinke boost.”

Soms kwamen zijn ouders naar zo’n voorstelling kijken. “Dan riep mijn vader: ‘Da gij unne zoon van men bent’. Stiekem vond hij het prachtig, eigenlijk was hij ook een ondeugende man.”

Daarna raakte zijn carrière in de stroomversnelling, na de regio volgde de landelijke media: de Vara, de NOS, eerst het Radio 1 Journaal, in 2006 kwam tv erbij. Hij werd verslag­gever van het Koninklijk Huis, versloeg rampen, volgde de Q-koorts uitbraak. Was als eerste bij de tramaanslag in Utrecht. “Ik heb zoveel gedaan en gezien, overal waar ik in Nederland kom, heb ik weleens iemand geïnterviewd. Van boze boeren tot koning Willem-Alexander. Toch maakten kwetsbare mensen de meeste indruk op me. Ik vond het heerlijk, ik had nog jaren kunnen doorgaan.”

Maar dan komt vorig jaar zijn chef langs en zij vertelt dat de NOS wil stoppen met de samenwerking: zowel hij als zijn zakelijke partner en radiomaker Maino Remmers, met wie hij al jaren hun bedrijf De Mediamannen runt, horen dat hun freelancewerk ophoudt. “Dat was een ongelooflijke klap. Ik had het totaal niet zien aankomen. En eerlijk gezegd vond ik het ook te vroeg. Het argument was dat ze andere mensen een kans wilden geven verslaggever te worden, collega’s die anders misschien zouden vertrekken naar de commerciëlen. Natuurlijk lag het niet aan mij, mijn leeftijd of mijn kwaliteit, zeiden ze.”

Hoe ging u met dat ontslag om?

“Ik vond het erg moeilijk, nu went het langzaam, maar ik vind het een ingewikkelde fase: ik ben 62, wat wil ik nog? Mijn leven was zo gestructureerd, ik werd elke dag ergens anders op af gestuurd. Nu word ik wakker en kan ik kiezen wat ik wil. Een luxepositie, maar ik moet nog erg wennen. Daarom drink ik zoals altijd nog elke ochtend in hetzelfde tentje koffie en lees de krant. Ik krijg inmiddels prachtige klussen en heb niet stil gezeten: ik geef mediatrainingen en Maino en ik maakten in coronatijd een dagelijks tv-programma in Den Bosch.”

En u nam een puppie.

“Op advies van vrienden.” Dorus, de roestbruine Cavalier-poedel, graaft tijdens het gesprek een gat onder de terrastafel en sjeest achter andere hondjes aan. “Ik ben hem aan het opvoeden, best lastig, ik vind alles leuk wat hij doet. Kinderen heb ik nooit geambieerd, maar ik ontdek dat ik heel zorgend kan zijn. Dorus geeft me structuur in deze fase. Ik heb tijd nodig om te schakelen.”

Beeld Martijn Gijsbertsen

Het is afscheid, na afscheid, na afscheid, vertelt hij. “Eerst overleed mijn moeder – ik was heel dol op haar, we leken ook op elkaar. Ik raakte toen een heel goede vriend kwijt, daarna kwam het afscheid bij de NOS en vervolgens brak de coronacrisis uit. Een oom van me overleed, daarna mijn tante. Vorige week was ik bij mijn neef die door corona een hersenbloeding kreeg. Zijn verlichtingszaak staat nu in de verkoop, hij wordt niet meer de oude, vermoed ik. Het komt zo dichtbij, het verlies is hier zo groot.”

En dan zag u ’s avonds op het Journaal voormalige collega’s verslag doen?

“Inderdaad, ze stonden voor het ziekenhuis in Uden waar ik vaak kwam. Dat was slikken. Dit is mijn regio, dit zijn mijn mensen, dacht ik dan. Het verschil zit ’m in kleine dingen. Als bekende Brabander komen mensen sneller op me af, vertellen ze je meer. ‘Ah daar heb je ons Theo’, zeiden ze. Ik vond dat heel eervol.”

Nu hij zichzelf opnieuw moet uitvinden, helpt het dat hij zijn geboortestreek nooit heeft verlaten. “Ik heb weleens gedacht aan verhuizen naar Amsterdam of New York zelfs, nu ben ik blij dat ik dat niet heb gedaan. In Den Bosch ken ik iedereen en iedereen kent mij. Er is niets belangrijkers dan je ergens geaard voelen, dat helpt mij nu.”

“Deze fase voelt een beetje als die periode dat ik maar wat aanklooide als twintiger. Ik laat alles om me afkomen, wil niet overal automatisch ja op zeggen. Soms stap ik zelf ergens op af, zo ben ik sinds kort lid van de Rotary. Dat had ik niet kunnen denken als ex-kraker. Maar nu ik niet meer die neutrale verslaggever hoef te zijn, voer ik andere gesprekken met bestuurders, huisartsen en brandweercommandanten. Ik geef meer mijn mening en meng me in discussies, zoals over het gebied waar we nu wandelen.”

Wat zou u hier willen aanpakken dan?

“Eerlijk gezegd gaan mensen van buiten, die hier zijn komen wonen, beter om met dit landschap dan de oorspronkelijke bewoners. Ik gruwel van het economische gebied dat de Peel is geworden. Ik herken het niet meer. De laatste keer dat ik verslag deed van de boerenprotesten bij het provinciehuis, maakte mijn achtergrond als boerenzoon geen indruk meer. Ik werd bedreigd. Ik hoorde bij de vijand en kreeg beveiligers mee om reportages te maken. Totale waanzin. Bij die jongens van Farmers Defence Force heb ik geen warme gevoelens.”

“Ik voel dat het een andere kant op moet. De Peel heeft zoveel klappen gekregen: eerst de verschraling van het land, het fijnstofprobleem, de luchtvervuiling, de megastallen, de Q-koorts-uitbraak, de intensieve veehouderij en nu Covid-19. Ik vind het niet vreemd dat de corona-uitbraak hier zo groot was. Dit gebied is zo ongezond, mensen ademen zulke slechte lucht in. Dat raakt me. Deze regio is echt geknakt, ik weet niet of die nog de oude wordt. Misschien ligt daar wel een taak voor me als boerenzoon uit Erp.”

Theo Verbruggen (Erp, 1958) werkte na zijn start bij Omroep Brabant 25 jaar voor het Radio 1 Journaal en het NOS Journaal als verslaggever Koninklijk Huis en binnenland. Voor zijn bedrijf De Mediamannen maakt hij sinds zijn ontslag bij de NOS (bedrijfs)filmpjes en regionale tv-uitzendingen. Hij treedt op als dagvoorzitter, presentator en mediatrainer. Verder is hij bestuurder van Nationaal Monument Kamp Vught, ambassadeur van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en Stichting Terminale Thuiszorg. Hij woont in Den Bosch met zijn hond Dorus.